Pensioenen onder druk

Als ergens geldt dat in het verleden behaalde resultaten geen garantie bieden voor de toekomst, dan is het wel bij de pensioenfondsen. Het heeft er alle schijn van dat zij opnieuw maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat zij niet duurzaam aan hun verplichtingen, het uitbetalen van pensioenen, kunnen voldoen.

Drie grote pensioenfondsen (ABP, Zorg en Welzijn en Metaal en Techniek) maakten vorige week bekend dat hun financiële positie onder druk staat als gevolg van verliezen op beleggingen.

Ook bij veel kleinere pensioenfondsen is de dekkingsgraad, de verhouding tussen beschikbaar vermogen en onvoorwaardelijke pensioenverplichtingen, onder de 120 procent gezakt.

Zonder herstel van de beurskoersen zijn maatregelen, waarover de pensioenfondsen in het najaar zullen beslissen, onvermijdelijk. Ze zullen per definitie pijnlijk zijn, althans voelbaar in de portemonnee van de burger. De fondsen kunnen ervoor kiezen de premies te verhogen die werknemers betalen, de pensioenen niet te indexeren, dus ze niet volledig gelijk op te laten lopen met loon- en/of prijsstijgingen, of de aanspraak op toekomstige pensioenen te verminderen.

Een combinatie van deze drie opties is ook mogelijk, al ligt met name een premieverhoging niet voor de hand. Want behalve tegenvallende rendementen op de beurs vormt ook snel stijgende inflatie een probleem voor de fondsen – en dat probleem zullen ze liever niet zelf versterken.

Pensioenfondsen hebben de ambitie om de pensioenen jaarlijks waarde- of welvaartsvast te maken, maar zijn wel zo verstandig geweest van die ambitie geen toezegging te maken. Dat verschaft hun de ruimte om zonodig versoberingen door te voeren. Die waren, gelet op de langdurige neerwaartse bewegingen van de beurskoersen, ook te verwachten. De Nederlandsche Bank, hun toezichthouder, heeft de pensioenfondsen al in maart gewezen op de negatieve ontwikkelingen op de beurzen en de gevolgen die dat voor hun dekkingsgraad zou kunnen hebben.

Bij de vorige financiële crisis, kort na de beurskrach van 2000, sloeg de toenmalige toezichthouder, de Pensioen- en Verzekeringskamer, regelrecht alarm over de financiële positie van de pensioenfondsen. Zij werden tot drastische ingrepen verplicht. Het lijkt erop dat de fondsen, ook al doordat zij destijds hun verplichtingen hebben afgezwakt, nu beter voorbereid zijn op tegenvallers.

Dat mag ook wel, want dat er klappen zouden vallen, was gelet op de labiele situatie waarin de Amerikaanse economie zich al jaren bevindt, met omvangrijke begrotings- en handelstekorten, onvermijdelijk.

Wel is dezelfde vraag aan de orde als destijds en die is of pensioenfondsen niet minder moeten meedrijven met de beweeglijkheid die aandelenbeurzen per definitie kenmerkt.

Per saldo geldt voor de fondsen hetzelfde als voor de overheid: bouw in jaren van welvaart, in het besef dat ook aan die periode een einde komt, voldoende buffers in, die in jaren van economische stagnatie goed van pas kunnen komen.