Onder het masker een leegte

‘Jammer dat we met zoveel mensen waren”, verzuchtte een vriendin terwijl we terugreden van een bezoek aan andere vrienden, „ik had die muur van hen wel eens naar beneden willen trekken, gewoon wég met die façade!”

Het was een goede en, naar mijn idee, zelfs intieme avond geweest, acht mensen om de tafel en toch één gesprek over dingen die ons echt aangingen – welke maskers, muren en façades had ze willen slechten? En wat zou zich daarachter hebben bevonden?

In een gezelschap van mensen die je niet allemaal even goed kent, gedraag je je anders dan als je met z’n vieren bent, en als je met z’n tweeën bent gedraag je je nog weer anders, en nog anders alleen. Er lijkt weleens de veronderstelling te bestaan dat je alleen het echtste bent, mensen die alleen op reis gaan, liefst nog naar eenzame gebieden „komen zichzelf wel tegen”, veel religieuze leefwijzen insisteren op eenzaamheid, op woestijnervaringen, kluizenaarschap, stilte.

Ongemaskerdheid is een spiritueel ideaal en ook een oprechtheidsideaal. Altijd hetzelfde, onder alle omstandigheden, dat is ferm en mooi en uit één stuk.

Toch lijkt het een volstrekte illusie. Het gaat uit van de veronderstelling dat je een waar gezicht hebt, een hele ware persoonlijkheid die je met maskers en pantsers uitrust tegenover de buitenwereld, maar die je net zo goed, als je maar wilde of durfde, gewoon zou kunnen tonen.

„Onder het masker een leegte” schrijft Jorgos Seferis in zijn lange gedicht over de koning van Asine, van wie we niets weten dan zijn naam die één keer in de Ilias voorkomt. „En Asine” staat daar. Meer niet. Asini bestaat, een rotspunt op de Peloponnesus, brokstukken van een akropolis, wat resten polygonale muur. Seferis zag er de leegte die de koning die we niet kennen en nooit gekend hebben toch achterliet, „een leegte overal bij ons”. De leegte achter zo’n gouden masker, zo een als het masker dat ‘het masker van Agamemnon’ genoemd wordt – een gezicht met dichte ogen, breed, en volkomen plat.

Maar eigenlijk, bij levende mensen, kan het masker niet los bestaan, je komt in een hopeloze woordenknoop als je eraan denkt, want een masker word je verondersteld op te zetten – waarop? Je voordoen op een bepaalde manier in gezelschap veronderstelt toch dat er iemand is die zich voordoet, iemand anders. Wie is dat dan?

Over het zelf, of hoe je het noemen moet, dat wat zich ‘ik’ voelt, maar dat woord niet uitspreekt, want zodra je gaat praten is ‘ik’ ook alweer een personage, over het zelf dus valt bijna niet te denken zonder naar beneden te tollen in een spiraal van toenemende ondenkbaarheid.

Toch herkennen we elkaar en onszelf in allerlei manieren van doen en reageren.

Een bevriende schrijver zei eens: „Stijl kan niet liegen”, waarmee hij zoiets bedoelde als dat de manier waarop iemand schrijft, het gemiddelde humeur, de gemiddelde toon die uit iemands geschriften spreekt, iets moet zeggen over hoe iemand is.

Geschriften zijn natuurlijk ook maskerades, zelfs als die geschriften dagboeken zijn die iemand werkelijk voor zichzelf schreef. Niet omdat ze gelogen zijn, waarschijnlijk niet, maar omdat elke vorm, ook de dagboekvorm, de inhoud mee bepaalt. Dingen waarover iemand nadenkt, zich druk maakt zelfs en die hij of zij geregeld in het openbaar bespreekt, hoeven niet in een dagboek nóg eens aan de orde te komen, de dagboekschrijver weet immers wel hoe hij/zij daarover denkt, wat tegenwerpingen zijn enz. In een dagboek schrijf je eerder over de dingen waarover je niet praat, omdat je er nog niet uit bent, omdat je ze genant vindt, omdat je denkt dat ze niemand dan jezelf interesseren of aangaan. Is dat dan je wáre zelf? Nee.

Je ware zelf, als er al zoiets zou bestaan, is datgene dat door ál die maskers heenschijnt in steeds andere vorm denk ik. Je kunt het je voorstellen als verzamelingen die elkaar op een bepaald punt overlappen. Daar waar de meeste overlappingen zijn, daar zit wellicht een soort kern waar de mensen elkaar en zichzelf kennen. Dat drukt zich uit in een stijl, van schrijven, van doen, in een humeur.

Zonder maskers is er helemaal niets, geen waarheid en geen onwaarheid. De waarheid kan zich alleen maar tonen in manieren van doen, van zeggen, van reageren, van handelen, en dan blijkt die waarheid behoorlijk veelkantig.

Geef je iemand een functie, maak je hem chef of voorzitter of leider, dan gaat hij zich anders gedragen. Dan komt niet ineens zijn ‘ware aard’ naar boven, het is dezelfde, onkenbare aard als altijd, maar nu als baas. Dan toont de aard zich anders dan als ondergeschikte, en anders ook dan als onderdeel van een groot gezelschap. Allemaal waarheden, maar de ene is niet waarder dan de andere.

Zolang we niet expres zitten te huichelen, dat kan natuurlijk ook, toont elke omstandigheid iets van wat er niet achter de façade zit, maar die façade wel mogelijk maakt.

Dus laat ze maar zitten die maskers. Zolang het niet steeds precies hetzelfde masker is.

Reageren kan op nrc.nl/vos (reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie.)