Markt van enthousiastelingen

Opkomende landen met grote handelsoverschotten hebben grote invloed op de grondstoffenprijzen. Zolang landen als China de hoge prijzen willen en kunnen betalen, barst de zeepbel nog niet.

Net als bij baissemarkten, recessies en pornografie is het makkelijker financiële zeepbellen te herkennen dan ze exact te omschrijven.

Grof gezegd worden zeepbellen gekarakteriseerd doordat de prijs van een product veel sneller stijgt dan de productiekosten ervan. Zeepbellen worden ook gekenmerkt door wijdverbreide enthousiaste verwachtingen van verdere winsten. Volgens die definitie is er nu sprake van een zeepbel op de grondstoffenmarkt.

De prijzen zijn snel gestegen. De S&P GSCI-grondstoffenindex is de afgelopen twaalf maanden met 74 procent omhooggegaan. De prijs van ijzererts in Chinese contracten zal dit jaar 90 procent hoger uitvallen dan vorig jaar. In een wereld waarin de economische groei vertraagt, lijken deze prijsstijgingen ongerijmd.

En hoe zit het met de productiekosten van grondstoffen? Die zijn ook toegenomen – met zo’n 10 tot 15 procent per jaar. Maar dat is een stuk minder dan de gemiddelde jaarlijkse stijging van de GSCI-index over de afgelopen vijf jaar. En een goed deel van de kostenstijging is het gevolg van de hogere grondstoffenprijzen zelf. Er is energie nodig om olie uit de grond te halen of graan te verbouwen, dus duurdere olie zorgt ervoor dat de productie van olie en graan ook duurder wordt.

Het andere kenmerk van een zeepbel – enthousiaste vooruitzichten op meer – is eveneens aanwezig. Er is weliswaar een klein contingent twijfelaars, maar de enthousiastelingen vormen een waar leger.

Barclays Capital doet het gepraat over zeepbellen bijvoorbeeld af als „slecht geïnformeerd”. De zakenbank ziet slechts een „robuuste” groei van de vraag die samenvalt met „problemen aan de aanbodzijde” voor olie en vele metalen.

De grondstoffenoptimisten bieden overtuigende analyses over bronnen, mijnen en de Chinese economische groei. Maar financiële zeepbellen groeien altijd vanuit solide fundamenten in de echte economie. De perspectieven voor de groei van de vraag naar tulpen, internetdiensten en Amerikaanse woningen waren destijds ook goed. De zeepbellen kwamen voort uit de grote hoeveelheden geld die kopers bereid waren voor deze producten en diensten uit te trekken.

Omdat zeepbellen financieel van aard zijn, is het nauwelijks verrassend dat ‘speculanten’ de schuld krijgen van de torenhoge grondstoffenprijzen. Het beste bewijsmateriaal is de snelle groei van de beleggingsfondsen die zich gespecialiseerd hebben in grondstoffen – van 70 naar 220 miljard dollar (van 44 naar 138 miljard euro) in de afgelopen drie jaar, aldus Barclays. Het is makkelijk een sinister beeld te schetsen van speculanten die de prijzen opdrijven en ervoor zorgen dat ’s werelds armen moeten bibberen en hongeren.

Maar zo eenvoudig ligt het niet. Voor sommige grondstoffen kan het zo zijn dat de extra middelen van beleggers die op hogere prijzen speculeerden, geholpen hebben de prijzen ervan op te drijven. Maar als er alleen maar beleggers in het spel zouden zijn geweest, zou de prijs van ijzererts niet zo hard zijn gestegen. Deze grondstof komt immers niet in de indexen voor en wordt grotendeels verkocht via jaarcontracten tussen mijnbouwbedrijven en staalproducenten.

Wat industriële kopers en beleggers gemeen hebben, is het vermogen om geld op tafel te leggen. Denk aan de hoogtijdagen van de Amerikaanse woningmarkt. Financiële kopers speelden een rol in het opblazen van de zeepbel. Maar de huiseigenaren vormden de belangrijkste factor. Zij konden het zich veroorloven de huizenprijzen omhoog te bieden, omdat de banken bereid waren kredieten te verschaffen.

Makkelijk verkrijgbaar geld betekent dat een klein tekort snel kan uitgroeien tot grote prijsstijgingen. Dat komt door een fundamentele marktregel: de prijs blijft stijgen, totdat genoeg kopers weglopen om de markt weer in balans te brengen. Een olieprijs van 60 en 100 dollar per vat volstond daartoe niet. Een prijs van 150 dollar per vat misschien wel. Het is een kwestie van psychologie – als de kopers zeggen dat het mooi geweest is – en van de beschikbaarheid van fondsen.

Op dit moment lijkt het erop dat de monetaire factor van essentieel belang is. De vraag naar meer grondstoffen is op z’n sterkst waar de groei het krachtigst is – met name in China en andere snelgroeiende Aziatische landen. De meeste van deze landen hebben grote hoeveelheden dollars, doordat ze grote handelsoverschotten kennen. Ze gebruiken die fondsen om de prijzen omhoog te bieden. Kredieten uit landen die grondstoffen exporteren en die eveneens grote handelsoverschotten kennen, dienen hetzelfde doel.

De zeepbel zal uiteindelijk barsten. De prijzen zullen dalen naar het niveau van de productiekosten of nog lager. Maar de handelsoverschotten zijn nu nog groot en de productiegroei van de meeste grondstoffen is nog steeds bescheiden. Deze zeepbel kon voorlopig nog wel even blijven groeien.

© Breaking Views. Vertaling Menno Grootveld