In een arm land lokt het oerwoud

De deelstaat Mato Grosso is kampioen ontbossen van Brazilië, blijkt uit vorige week bekendgemaakte cijfers. In verafgelegen gebieden lijkt de oprukkende modernisering moeilijk te stoppen.

Het is drie uur ’s nachts en de bus is te laat. De wc-meneer is in slaap gevallen. Zijn hoofd rust op het tafeltje naast het geldschoteltje. Eén real voor een bezoek. In het afgeleefde busstation, onder flikkerende tl-buizen, hebben zich steeds meer jonge mannen verzameld. Ze zijn op weg naar een nieuw leven, naar werk, als houtkappers of wegwerkers.

Locatie: Cuiabá, hoofdstad van de deelstaat Mato Grosso, grenzend aan Bolivia en gelegen op ruim 2.000 kilometer afstand van Rio de Janeiro. Eindbestemming van de bus van transportbedrijf TUT: Juína, een bolwerk van houthakkers, veehouders en diamantenzoekers, een plek waar milieuactivisten en journalisten niet echt welkom zijn. Het plaatsje ligt meer dan 730 kilometer verderop, in het Amazonegebied.

Als de Braziliaanse overheid cijfers bekendmaakt over ontbossing in het Amazonegebied, is de deelstaat Mato Grosso steeds weer koploper. Alleen al in mei, zo blijkt uit de recentste cijfers, ging in Brazilië ruim 1.000 vierkante kilometer regenwoud verloren, waarvan bijna 650 vierkante kilometer in Mato Grosso. Tijdens de dertien uur durende busreis naar Juína, de grootste ‘stad’ in het noordoosten van de deelstaat, is deels te zien waarom.

„Kijk”, zegt medepassagier Reinaldo da Silva, terwijl hij naar enorme velden met soja wijst, „daar stonden vroeger alleen maar bomen”. Het uitzicht is indrukwekkend. De vlaktes eindeloos. De enkele bomen die de landbouwexpansie hebben overleefd, staan meestal rond boerderijen, enige schaduw biedend in de warmte.

Aandachtig luistert Da Silva als hem gesuggereerd wordt dat de bescherming van het regenwoud wellicht niet altijd eerste prioriteit heeft door de dubbele pet van de gouverneur van Mato Grosso, die tevens een grote sojaproducent is. Hij knikt begripvol en zegt: „Ken je de Amerikaanse dominee Billy Graham? Ik heb een boek van hem gelezen, erg goed. Een aanrader.”

Onderweg is de hout- en landbouwindustrie alom aanwezig. Opslagplaatsen van hout, zagerijen, beladen vrachtwagens, tractoren. Gehuchten bestaan vaak uit niet meer dan een geasfalteerde straat, een wegrestaurant, een apotheek en enkele huizen. Op andere plekken zijn bulldozers aan het werk, grond geschikt aan het maken voor de landbouw, altijd een rode stofwolk achterlatend.

Tangará da Serra is de laatste grote stop van de reis. Daarna krijgt het landschap snel een ander aangezicht. Geen ordentelijke landbouwpercelen meer, maar grote lappen verlaten en verbrande grond. Her en der overgebleven zwartgeblakerde bomen, die op afstand ogen als verdwaalde skeletten. Soms zie je ook een stuk grond dat lijkt op een spijkerbed, een gebied vol met afgekapte bomen, die tot zo’n anderhalve meter boven de grond uitsteken. Dan houdt ook de asfalt weg op. Een andere chauffeur neemt het over. Langs de onverharde weg veel plekken met extensieve veehouderij, runderen kuierend over grond waar eerder de jungle leefde. De veehouderij is de grootste motor achter de ontbossing in de Amazone.

Op de zandwegen wordt hard gewerkt om de expansie in het gebied te versnellen. Mannen met strohoeden met brede randen, op bulldozers of met schoppen in de hand. Allemaal dragen ze hetzelfde gele T-shirt: in dienst van de overheid van Mato Grosso.

Sommige delen van de route lopen midden door het dichte regenwoud. Ook dat zijn uitgestrekte, oneindige lappen. Daarom is het ook bijna begrijpelijk waarom iemand als Reinaldo da Silva zegt: „Er is hier zoveel regenwoud. Het is goed dat de overheid zo heeft ingezet op landbouw: dat levert de mensen werk op.”

In een land als Brazilië, waar nog veel armen zijn, lokt het oerwoud. Mensen kunnen er een stukje grond bezetten, want administratief is er nog veel niet geregeld. Zolang niemand anders kan aantonen dat hij of zij de eigenaar is, levert dat geen problemen op. Zo ontstaan spontaan kleine nederzettingen, langs de onverharde weg, aan het rand van het tropische bos. Eenvoudige huisjes van bamboe, zonder elektriciteit. Het zijn gelukzoekers uit deelstaten als Rio Grande do Sul en Paraná.

Nooit hadden ze enig bezit, maar hier hebben ze zicht op een eigen stuk grond. Na een ‘bezetting’ van vijf jaar wordt het automatisch hun eigendom. Hun aanpak: ze verbranden het bos en beginnen er na een paar maanden rijst, maniok en andere producten te verbouwen.

Soms stopt de bus ergens waar bomen al het uitzicht ontnemen. Een jonge vrouw in roze shirt en spijkerrok stapt uit, en verdwijnt via een onbestemd zandpaadje de jungle in. Het is een andere wereld, waar het woud van alle kanten belaagd wordt.

Het voorlopig eindpunt van de bus is Juína. Een kwart eeuw geleden bestond het uit niet meer dan enkele barakken. Nu wonen in het stadje 40.000 mensen, van wie bijna iedereen afkomstig is van buiten Mato Grosso. Het is gebouwd op een plek waar begin jaren tachtig tropisch regenwoud was. Ontstaan door het kolonisatiebeleid van de Braziliaanse overheid in de jaren zeventig.

De overheid stimuleerde destijds de oprichting van nederzettingen in de dunbevolkte Amazone, om zogeheten buitenlandse en communistische invloeden in het gebied, waar enkel indianenstammen leefden, te voorkomen. In Juína was daar de inmiddels opgeheven Compagnie voor Ontwikkeling van Mato Grosso verantwoordelijk voor. Dit is de uitvalbasis geworden voor de verdere expansie in het Amazonegebied in Mato Grosso. Een centrum voor nieuwkomers en entrepreneurs die een nieuwe toekomst willen opbouwen. In Juína is alles mogelijk en is alles te krijgen. Hier stappen veel jongemannen uit de bus, gelokt door de belofte van werk en een beter leven.