Haar valiesjes zijn gepakt, nu nog een fijn baasje

Fanny & Alma gaan elke week van die dingen doen die voor iedereen herkenbaar zijn of juist niet.

Vandaag: kwellen ze zichzelf in het dierenasiel.

‘Birthe is een superlief jong katinnetje van circa 5 maandjes, ze rent al spelend door het huis en geniet van alle aaikes. Ze is reeds gestiriliseerd en twee keer ingeënt. Haar valiesjes staan reeds gepakt, nu nog een fijn baasje dat haar een huis wilt geven.’

„Die wil ik”, roept Fanny. Na de zomer verhuist ze voor een jaar naar Antwerpen om een master te volgen en afgezien van zo’n vijfentwintig verhuisdozen neemt ze niks mee. Geen vriendinnen, geen vriendje. Een leeg appartement in een stad waar ze niemand kent, staat op haar te wachten. ’s Avonds laat in weemoedige buien ziet ze zichzelf dag in dag uit zielsalleen aan tafel zitten dineren, zielsalleen aan tafel zitten ontbijten en zielsalleen aan tafel zitten lunchen. Dagen tegen niemand pratend, nachten tegen niemand slapend. Alleen in het gezelschap gehouden door de personages uit romans, de stemmen in haar hoofd en haar eigen spiegelbeeld. Een nare gedachte.

Met een zachte, harige, vierpotige medebewoner zal het vast een stuk minder eenzaam worden.

Kitten Birthe lijkt zoals ze op de foto van het asiel staat afgebeeld de perfecte huisgenote. Liggend op haar tijgerruggetje en met haar poten in de lucht gestoken is haar buik goed zichtbaar. Ze kijkt uitnodigend. Wat moet het heerlijk zijn om er doorheen te woelen.

„Of deze”, Alma wijst op een kat die dezelfde naam als Fanny’s vriendje draagt: Niels.

‘Niels is een lieve, gezellige witte kater’, leest Alma hardop voor. ‘Hij vindt het heerlijk om gekomd te worden. Hij rolt op zijn rug van plezier en zijn motortje slaat niet meer af. Met andere katten kan hij het prima vinden. Kortom: een heerlijke vent!’

Een heerlijke vent is hij zeker. Op de foto zijn zijn groene ogen half dichtgeknepen. Hij lacht tevreden in de camera. We klikken op de details. Niet bij kleine kinderen, niet bij honden; niet in een flat. Jammer!

„Of ik ga mee”, oppert Alma. Ze wijst op een schattig poesje die de naam Alma draagt. ‘Zeven weken oud vrouwtjeskitten dat zwart en langharig is’, lezen we op de site.

We kijken nog een tijdje door. Niet alleen honden en katten worden aangeboden. Maar ook geiten, hamsters, vissen, gerbils en hangbuikzwijntjes. Zo zijn er de hangbuikzwijnen Ann en Martine die een huis zoeken na het overlijden van hun baasje. Ook is er de gecastreerde bok Boso. ‘Hij vindt alles erg spannend, het is een leuk geitje.’

Alma zit al een tekening van haar dakterras te maken waardoor er plek is voor bok Boso. Het liefst willen we alle dieren uit het asiel halen en er een grote gezellige boel van maken. Een paradijs waar Paddo de waterschildpad mee kan rijden op de rug van labrador Leslie. Waar we ook een groot bed neerzetten waar alle katten ongestraft de hele dag op mogen neerstrijken om te slapen, te dollen en te rollen.

De volgende dag worden onze verlangens tot stichting van een dergelijk oord nog sterker als we in het asiel in de buurt gaan kijken. Alma’s hondenhart breekt in tweeën bij elk woefje. Er zijn wel tien babykatjes met kleine poezelige neusjes en kleine poezelige pootjes die Fanny wil bevrijden uit hun hokje.

„Ik vind het zo zielig dat ze hier zitten”, zegt Fanny als we kijken bij een dunne moederpoes zonder staart. „Zielig?” Een medewerkster van het asiel is duidelijk op haar tenen getrapt. „Natuurlijk zou het het fijnst zijn als elk dier een eigen huis heeft. Maar voor veel dieren is het hier een beter thuis dan ze ooit hebben gekend. Hier kunnen ze zichzelf zijn. En worden ze met rust gelaten.”

We knikken gauw. „Maar het is toch zielig dat hun baasjes hun afstaan?”, probeert Alma Fanny’s opmerking goed te praten. „Tja, als ze vastgebonden worden aan een boom, of onopgevoed, of mishandeld binnenkomen is het maar goed dat ze die beestjes naar ons brengen.”

„Weet je”, vervolgt ze, „ik heb er een hekel aan als mensen het asiel zielig noemen. Het asiel op zich is niet zielig maar dat wat eraan vooraf gaat.”

„Het is niet zo simpel als mensen het zich voorstellen. Niet iedereen die zijn dier in een asiel stopt is een slecht mens. Soms is het onvermijdelijk. Blijkt er iemand allergisch te zijn of krijgt er iemand na een overlijden een dier dat niet blijkt samen te gaan met de andere dieren. Laatst kwam hier een vrouw met tranen in haar ogen een kat van haar overleden buurman afgeven. Het ging niet met haar andere katten en hij terroriseerde het hele huis. Na een half jaar lijden bracht ze hem bij ons. Nu heeft die kat een ander rustig huis op een groot erf zonder andere dieren. Fijn voor die kat en fijn voor die vrouw.”

We kijken ineens met andere ogen naar het asiel. Sommige dieren zitten in een klein hok, maar het is wel hun eigen veilige plekje. Fanny denkt aan haar overleden kat Gompie die zich ook altijd nestelde in kleine dozen. De dieren mogen los in de ren en in de kamer als ze niet ziek zijn en goed samengaan met andere dieren. Anders worden ze omstebeurt gelucht.

Terug in de bus bedenken we dat ons dierenparadijs toch niet zo’n goed idee is. „Zo creëren we weer ons eigen asiel”, zegt Alma. Fanny staart uit het raam en ziet in gedachten kitten Birthe in haar appartement rondhollen. Haar kleine appartement zonder balkon. Haar vorige katten trokken er elke nacht door het kattenluik op uit in de wijde omgeving om avonturen te beleven. Dat zal kitten Birthe nooit kunnen doen.

Wat is er beter, een kat nemen in een klein appartement en hem veel aandacht geven, of een kat in het dierenasiel laten waar hij misschien minder aandacht krijgt, maar wel rust, ritme en regelmaat en hopen op een beter onderkomen? We weten het niet.

En hoe eerlijk is het om een kat te nemen uit eigenbelang om niet alleen te zijn? Is dat niet egoïstisch? Zou ze niet veel meer vanuit de kat moeten denken?

Ze besluit nog even te wachten. Want hoe moet dat straks weer in Amsterdam en met de reizen die ze nog wil maken, en met de dagen dat ze er niet zal zijn?

Kitten Birtha’s valiesjes staan reeds gepakt. Helaas gaan ze niet naar Fanny.