Donner kijkt alvast een paar kabinetten vooruit

Minister Donner deed gisteren suggesties om de AOW-leeftijd te verhogen naar mogelijk 70 jaar. De reacties zijn afwijzend, het probleem blijft reëel.

Laat het woord pensioenleeftijd vallen en er ontstaat commotie in Nederland. Zodoende kan minister Piet Hein Donner nauwelijks verrast zijn door de geharnaste reacties op zijn gefilosofeer in de Telegraaf van gisteren over het in de verre toekomst geleidelijk optrekken van de pensioengerechtigde leeftijd naar misschien wel 70 jaar.

„Het leidt tot niets en maakt mensen ongerust”, liet Tweede Kamerlid Jacques Tichelaar (PvdA) onmiddellijk weten. „Aperte onzin”, oordeelde fractievoorzitter Agnes Kant van de Socialistische Partij. Donners ‘eigen’ CDA reageerde iets diplomatieker, maar in essentie even afwijzend. Kamerlid Liesbeth Spies zei „niet onverdeeld gelukkig” te zijn met de suggesties van de minister.

In wezen manifesteert zich hier het in de politiek niet onbekende dilemma tussen de korte en de lange termijn. De horizon van gekozen politici beperkt zich veelal tot het regeerakkoord en de coalitie-afspraken die lopen tot 2011, wanneer de volgende verkiezingen worden gehouden. Donner daarentegen kijkt als minister van Sociale Zaken ver over die grens heen. Hij neemt weliswaar in acht dat het kabinet heeft besloten de pensioenleeftijd van 65 jaar ongemoeid te laten, maar weigert zijn ogen te sluiten voor de demografische ontwikkelingen in 2040. Dat het kabinet niet wil praten over een latere pensioenleeftijd dan de huidige 65 jaar heeft alles te maken met het feit dat werknemers in Nederland nu gemiddeld op 62-jarige leeftijd stoppen met werken. Om naar de ‘normale’ leeftijd van 65 terug te keren, zijn al heel wat inspanningen nodig.

Maar dat is de korte termijn. De lange termijn laat in nagenoeg heel Europa een andere trend zien: als gevolg van de vergrijzing zullen oudere werknemers hard nodig zijn om de huidige verzorgingsstaten op peil te kunnen houden. Om die reden is in Groot-Brittannië twee jaar geleden besloten tot een zeer geleidelijke verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd naar 68 jaar in 2044. In Duitsland wordt aan soortgelijke plannen gewerkt.

Het lijkt een illusie dat Nederland zich in Europa, met landen die op het terrein van economische politiek naar elkaar toegroeien, een uitzonderingspositie kan veroorloven en tot halverwege deze eeuw zal kunnen vasthouden aan de uit 1950 stammende pensioengrens van 65 jaar. De politieke vraag is nu echter waarom Donner zijn collega’s in het kabinet, toen de zaak vorige maand aan de orde was, er niet toe heeft bewogen een realistischer beeld te schetsen.