De zegen van ‘Ome Fred’ weegt zwaar bij Feyenoord

Hij doorstond alle stormen in en rondom het honderdjarige Feyenoord. Wel zat Fred Blankemeijer (81) na ruzie in het bestuur twee jaar aan de overkant in stadion De Kuip.

Gezeten achter zijn bureau en een glas bier vist hij een piepklein zwart-witfotootje uit zijn achterzak: een elftalfoto uit 1951, van Feijenoord 1. Gekregen van een van de kinderen van een oud-ploeggenoot. Feilloos dreunt Fred Blankemeijer de namen op van zijn voormalige medespelers uit Rotterdam-Zuid: Arie Oldenburg, Wim van der Heide, Gerard van de Korput. Alsof hij ze gisteren nog een voor een de hand heeft geschud. „Vrijwel allemaal al overleden”, constateert hij droogjes, terwijl hij de foto zorgvuldig opbergt in zijn paspoort.

Zelf is het geheugen van de roemruchte voetbalclub uit Rotterdam nog altijd springlevend, ook al protesteert het lichaam de laatste jaren steeds vaker. Frederik Klaas Blankemeijer hoopt volgende maand de respectabele leeftijd van 82 te bereiken.

Als iemand vergroeid is met de geschiedenis van de club die afgelopen zaterdag z’n honderdste verjaardag vierde, dan is hij het wel: de senior manager, zoals zijn officiële titel luidt, die nog vrijwel elke dag door zijn vrouw naar De Kuip wordt gebracht. In zijn met clubvaantjes behangen werkkamer in het Maasgebouw met uitzicht op het trainingsveld spit hij vervolgens de kranten door en inventariseert hij de supporterspost. Vaak stuurt hij een handgeschreven briefje terug. Met computers heeft Blankemeijer niets. Als het moet, tikt de secretaresse zijn boodschappen op het officiële briefpapier van de club.

Historicus Jan Oudenaarden (64), schrijver van twee boeken over Feyenoord, ontving begin dit jaar zo’n persoonlijke noot. Met daarin de toestemming om de Europa Cup I te exposeren tijdens de tentoonstelling Feyenoord 100 jaar in het Schielandshuis. „Niet veel later belde commercieel directeur Chris Woerts”, lacht Oudenaarden. „Ik had weliswaar de zegen gekregen van ome Fred, en die weegt zwaar bij Feyenoord, maar dit ging toch een stapje te ver. Die beker hoort thuis in het eigen stadion, zei hij, niet in een inbraakgevoelig museum.”

En toch: Blankemeijer mag door twee bijna versleten knieën dan amper meer kunnen lopen, „de bovenkamer van ome Fred functioneert nog altijd optimaal”, benadrukt zijn vertrouweling en oud-Feyenoorder Sjaak Troost. Van vrijwel iedere oud-speler weet Blankemeijer uit het blote hoofd het jaar van aankomst en vertrek op te sommen. De samenstellers van het vorige week gepresenteerde jubileumboek (ruim vier kilo zwaar en bijna 650 pagina’s) maakten dan ook dankbaar gebruik van de uitputtende kennis van Feyenoords wandelende encyclopedie. In het vorige week heropende eigen Home of History staat een foto van Blankemeijer, voorzien van de tekst „Arendsoog en olifantengeheugen in dienst van Feyenoord”. Daaronder een waslijst aan functies die hij bij de club heeft bekleed: van speler tot jeugdscout, van bestuurslid tot de officiële ‘praatpaal’ (seizoen 1981-’82) van de A-selectie.

Vraag hem naar zijn mooiste herinnering aan Feyenoord en Blankemeijer noemt het jaartal 1940; het jaar waarin hij lid werd van ‘zijn’ club, die toen nog RV & AV Feijenoord heette. Natuurlijk, het winnen van de Europa Cup I en de wereldbeker, dertig jaar later als eerste Nederlandse voetbalclub, is ook onvergetelijk. „Maar de dag dat ik lid mocht worden van de club, die sindsdien geen dag uit mijn leven is verdwenen, beschouw ik als mijn persoonlijke hoogtepunt.” Hij zegt het met een stralende glimlach.

Het aspirantlidmaatschap was óók een daad van verzet, want de familie Blankemeijer was van oudsher verbonden met amateurclub CVV uit de wijk Charlois (spreek uit: sjaarloos) in Rotterdam. Maar met „de boertjes uit Zuid” wilde Blankemeijer niet geassocieerd worden. Hij moest en zou lid worden van de club die in 1937 een nieuw stadion in gebruik had genomen aan het Van Zandvlietplein. Blankemeijer was op die steenkoude 27 maart 1937 een van de 37.825 toeschouwers bij de openingswedstrijd tegen het Belgische Beerschot (5-2). Zijn moeder had sindsdien een vaste stoel in De Kuip.

In het jaar dat hij toetrad tot ‘de arbeidersclub van rood en wit’, bereikte de oorlog Nederland. Blankemeijer behoort tot die Rotterdammers die met eigen ogen hebben gezien hoe hun geliefde stad op 14 mei 1940 werd platgebombardeerd, en hoe de bezetters vervolgens met stampende laarzen door de stad marcheerden. Zijn vader was eerste stuurman op het vrachtschip Towa, en kwam om toen het schip bij de eerste gevechtshandelingen op en rondom de Nieuwe Maas door een Duitse vliegtuigbom werd getroffen. Dat litteken draagt Blankemeijer met zich mee. Niemand die hem dan ook kwalijk moet nemen dat hij het over ‘moffen’ heeft wanneer hij Duitsers bedoelt. Vrijwel niemand was in al die jaren zo uitgelaten wanneer Feyenoord van een Duitse tegenstander won als Fred Blankemeijer.

Sjaak Troost, tot twee jaar geleden directeur van Feyenoord, wil niet te veel uitweiden over het oorlogstrauma van de man die hij liefkozend „mijn tweede vader” noemt. „Dat is persoonlijk, maar neem van mij aan dat die jaren indruk hebben gemaakt.” Zo heeft Blankemeijer tot op de dag van vandaag moeite met het clublied van Feyenoord, vertelt Troost. „Het Hand in Hand Kameraden! is een marslied. Daar krijg je Fred niet voor op de banken, hoe diepgeworteld zijn liefde voor Feyenoord ook is. Marsliederen appelleren aan de oorlog.”

Troost (48) is net als Blankemeijer afkomstig uit Pernis, het havendorp onder de rook van Rotterdam. Als scout ontdekte Blankemeijer „onze Sjakie met de ballonkuiten”. Maar van zijn ouders mocht Troost niet op en neer pendelen tussen Pernis en het ‘verre’ Rotterdam. Pas toen hij op zijn tiende naar de stad verhuisde, mocht hij ingaan op de smeekbeden van Blankemeijer. Die ontfermde zich vervolgens over hem, al ging dat niet altijd even zachtzinnig. Troost: „Fred oogt als een lieve man en dat is hij in de kern ook. Maar weinig mensen weten dat hij ook bikkelhard kan zijn. Zeker toentertijd, met van die bijtende recht-voor-z’n-raap-humor. Als jong ventje was dat soms schrikken.”

Troost speelde 329 officiële duels voor Feyenoord, Blankemeijer kwam niet verder dan 28 wedstrijden in het eerste. Hij was in de periode 1949-1953 vooral actief op de bijvelden. Als aanvoerder van het tweede elftal. Een van zijn tegenstanders was oud-voetbaljournalist Dick van den Polder (73), destijds middenvelder bij stadgenoot Excelsior. „Fred was geen hoogvlieger, en dat kwam vooral door dat lange, onhandige lijf van hem. Maar omdat hij bijna twee meter lang was, had hij wel overzicht en kon hij aardig koppen.”

Blankemeijers bijnaam in die dagen luidde De Stopnaaldspil. Van den Polder noemt hem vandaag de dag „de Charles de Gaulle van Feyenoord”, maar dan vooral op basis van de fysieke gelijkenis met de voormalig militair-president van Frankrijk. „Intern wordt wel naar hem geluisterd, maar het laatste woord heeft Fred zeker niet bij Feyenoord.”

Blankemeijer – „Inmiddels ben ik gekrompen tot 1 meter 90” – zelf treurt niet over zijn relatief korte voetballoopbaan. „Ik was broodjemager, het shirt hield me bijeen. Ik was een soort vogelverschrikker.” En één wiens schouder geregeld uit de kom schoot, herinnert oud-collega Aad van Hoek zich. „Toen dat opnieuw gebeurde, na een dolletje in de kleedkamer, moest ik Fred vervangen in de verdediging, hoewel ik nota bene midvoor was.” Van Hoek speelde nadien nooit meer in de voorste linie. Grijnzend: „Daar vervloek ik Fred nog altijd om.”

Blankemeijer bleef ook na zijn afscheid intensief betrokken bij Feyenoord, in tal van functies. Tot 1976, toen hij door enkele collega’s aan de kant werd gezet als bestuurslid. Daar kan hij nu, ruim dertig jaar later, nog boos om worden. „Alsof ik een misdaad had gepleegd.”

Uit protest zat hij twee jaar lang tijdens de thuisduels ‘aan de overkant’, ver verwijderd van het ereterras met de clubnotabelen. Gerard Kerkum (77) haalde hem uiteindelijk terug. Als voorzitter (1982-1989) nam hij Blankemeijer later in dienst. „Fred zat destijds in de verfhandel, maar hij was zo vaak op de club dat een klus in Uithoorn in het honderd dreigde te lopen”, zegt de oud-aanvoerder, die zaterdag door de voetbalbond tot bondsridder werd benoemd. „Die aannemer kwam bij mij klagen, waarna ik heb gezegd: weet je wat? Wij nemen Fred in dienst, een ander maakt het werk in Noord-Holland wel af.” Blankemeijer zelf beschouwt zich als een kat met zeven levens. „Ik ging door de voordeur, maar via de achterdeur kwam ik altijd weer binnen.”

Kerkum is net zo besmet met het Feyenoordvirus als Blankemeijer. „Maar bij Fred zit het wel heel erg diep. Ik vrees de dag dat hij hier om wat voor reden dan ook niet meer mag of kan komen.” Twee weken geleden nog hielp hij het clubicoon weer op de been, nadat Blankemeijer in de wandelgangen van het stadion plotseling onwel was geworden. Dat gebeurt de laatste jaren vaker.

Maar Blankemeijer is „een taaie overlever”, zeggen ze bij Feyenoord. Als hij sterft, dan is dat in het harnas: bij zijn club. Toen burgemeester Ivo Opstelten twee jaar geleden bij de viering van Blankemeijers tachtigste verjaardag vroeg hoe hij het al zo lang vol wist te houden in Rotterdam-Zuid, luidde het ludieke antwoord: „Een kwestie van niet doodgaan, meneer.”

Mede door die overlevingsdrang doorstond Blankemeijer alle stormen in en rondom De Kuip. Als een van de weinigen nam hij het op voor de verguisde oud-voorzitter Jorien van den Herik, die twee jaar geleden plaats moest maken en voor een groot deel van de fanatieke aanhang nog altijd de GKL is: de Grote Kale Leider. „Meneer Van den Herik heeft deze club destijds [1991, red.] wél van de ondergang gered”, zegt Blankemeijer ferm. „Velen zijn dat vergeten, omdat het kortetermijngeheugen regeert in het voetbal.” En ja, daar kan hij zich vreselijk over opwinden. „Ik zeg niet dat hij een standbeeld verdient, wel dat hij voor Feyenoord van onschatbare waarde is geweest.” Terecht dus, zegt hij, dat Van den Herik is opgenomen in de vernieuwde tentoonstelling in Feyenoords Home of History.

Toch was het diezelfde Van den Herik die onbedoeld een wig dreef tussen Blankemeijer en zijn vriend en oer-Feyenoorder, Wim Jansen. Jarenlang spraken beiden niet meer met elkaar, weet historicus Oudenaarden. „Jansen nam het Fred kwalijk dat hij niet solidair was, en bleef zitten toen Van den Herik binnenkwam. Dat heeft Fred diep geraakt. Fred bleef Feyenoord trouw. Dat telde volgens hem. Pas na het vertrek van Van den Herik hebben Jansen en hij het bijgelegd.”

Legendarisch zijn de persconferenties die Blankemeijer leidde. Gortdroge humor en zelfspot voerden daarbij de boventoon: „Dames en heren, Feyenoord-Ajax, uitslag 0-5, ik neem aan dat er geen vragen zijn.” De eigen trainer werd door Blankemeijer regelmatig in bescherming genomen tijdens nabesprekingen met de pers, zegt Van den Polder. „Fred voelt feilloos aan wanneer de temperatuur oploopt, en de coach in het nauw gedreven gaat worden.” Op zulke momenten schroomde de perschef niet om in te grijpen. Met zinnetjes als: „Ik merk dat het niveau van de vragen afneemt, zullen we er maar een einde aan maken?”

De laatste jaren houdt Blankemeijer zich steeds meer afzijdig tijdens persconferenties, ook al schuift hij nog altijd aan.

Buitenstaanders vragen zich af waarom Feyenoord nog altijd een bijna 82-jarige oud-speler in dienst heeft. Een die de laatste jaren bovendien in een rolstoel zit. Maar wie zich daarover verbaast, kent én Feyenoord niet én miskent het belang van ‘ome Fred’, benadrukt Blankemeijers baas, de begin deze maand pas aangetreden mediamanager Raymond Salomon. „Zijn kennis en netwerk zijn onovertroffen”, zegt de oud-sportverslaggever van het Algemeen Dagblad. „Feyenoord zou wel gek zijn om dat overboord te zetten. Hij mag komen, hij moet niet, maar we hebben hem graag hier. En dat is géén folklore.”

Ex-directeur Sjaak Troost onderschrijft die woorden. „Feyenoord is een voetbalclub, geen voetbalbedrijf. Ook al is dat intern natuurlijk wel zo. Maar supporters zijn geen fan van een bedrijf, maar van een club. De dag dat Feyenoord zijn eigen iconen niet meer eert en buiten de deur zet, dan is het gedaan met deze club.”