‘Zonder Europa zijn we gedoemd’

José Manuel Barroso is al vier jaar voorzitter van de Europese Commissie. „Ik geniet van wat ik doe”, zegt de Portugees. Hij is dan ook in voor een tweede termijn. „Laten we ervoor zorgen dat we onszelf niet blokkeren.”

Elke ochtend staat José Manuel Barroso om vijf uur op. Hij heeft dan vijf uur geslapen, zegt hij, of maximaal zes. Het werkprogramma van een voorzitter van de Europese Commissie is moordend. Maar aan het einde van een lange dag is er tijd om te ontspannen. Bij het betreden van de vip lounge van Narita, de internationale luchthaven van Tokio, loopt hij meteen naar de fles champagne die voor hem klaar staat. „Cheers”, zegt hij, nadat hij de glazen heeft ingeschonken. In een afgeschermde ruimte luistert zijn vrouw mee terwijl hij zich laat interviewen over zichzelf en over Europa – dat weer in crisis is.

Minuten eerder, bij aankomst op de luchthaven, is er opwinding in het gevolg van Barroso. Japanse veiligheidsfunctionarissen staan erop dat hij – als een gewone reiziger – door een veiligheidspoortje loopt. Dat is in strijd met het protocol. „Hij hoeft dit niet te doen”, zegt een van zijn medewerkers. Die noemen hem niet Barroso of José maar the President of le Président. Met een hoofdletter. Zelf lijkt Barroso zich niet druk te maken. Hij leegt z’n zakken en loopt rustig door het poortje, terwijl zijn medewerkers verder ruziën met de Japanners.

Buiten Brussel is Barroso misschien niet zo bekend. Maar hij is wel lid van de meest prestigieuze club op aarde – tenminste, voor politici. Het is de reden dat hij vorige week in Japan was. Daar vond de G8 plaats, het jaarlijkse overleg van de leiders van de grote geïndustrialiseerde landen. Drie dagen lang zat José Manuel Barroso aan tafel met onder anderen George W. Bush, Angela Merkel en Nicolas Sarkozy.

Barroso wil graag een leidende rol spelen bij het verhinderen van klimaatverandering. Hij wist EU-leiders vorig jaar zo ver te krijgen dat ze beloofden de uitstoot van CO2 in 2020 te verminderen met ten minste 20 procent. „Energie- en klimaatbeleid zijn voor mij prioriteit nummer één”, zegt hij op de heenreis in het vliegtuig. Het is een gecharterd vliegtuig en Barroso en zijn gevolg reizen er maar een klein stukje mee. Het grootste deel van de reis gaat per lijnvlucht. Een eigen vliegtuig, zoals andere leiders hebben, zou misschien wel handig zijn – de Commissie-voorzitter reist veel. Maar het zou ongetwijfeld ook leiden tot opmerkingen over verspilling van belastinggeld. En kritiek krijgt de Europese Commissie al genoeg.

Kritiek was er onlangs bijvoorbeeld na het Ierse ‘nee’ tegen het nieuwe EU-verdrag. Volgens de Franse president Sarkozy was die afwijzing mede te wijten aan de Europese Commissie, in het bijzonder aan de Britse eurocommissaris Peter Mandelson. Die is veel te toegeeflijk geweest bij onderhandelingen over de liberalisering van de wereldhandel. Mandelson heeft geen oog voor de belangen van Europese boeren, vindt Sarkozy. Geen wonder dat Ierse boeren ‘nee’ stemden. Peter Mandelson reageerde woedend op die kritiek. Zijn onderhandelingspositie in de wereldhandelsorganisatie WTO was daardoor verzwakt, zei hij.

José Manuel Barroso laat in het bijzijn van journalisten nooit blijken dat hij boos is. Als je hem vraagt of hij zich ergens zorgen over maakt of zich ergens aan ergert, dan denkt hij eerst heel even na. „Kijk”, begint hij dan. Of: „luister”. En dan volgt een lang antwoord waaruit blijkt dat hij zich juist geen zorgen maakt, of waarom hij niet boos is.

Als je hém bijvoorbeeld vraagt of de Europese Unie in de WTO zwakker is komen te staan door de kritiek van Sarkozy, dan zegt hij: „Het is geen geheim dat we met z’n zevenentwintigen zijn. We zijn niet zoals de Verenigde Staten één land. En dat zullen we in de nabije toekomst niet zijn ook.” In Brussel wordt wel gezegd dat Barroso gemaakt is van teflon. Alles lijkt van hem af te glijden.

José Manuel Barroso werd geboren op 23 maart 1956. Hij was net achttien toen in Portugal de Anjerrevolutie uitbrak die een einde maakte aan de dictatuur in het land. In een eerder interview vertelde hij hoe hij in 1975 werd opgepakt door militairen, nadat hij was betrapt op het verspreiden van pamfletten. Portugal bevond zich op dat moment nog in een overgangsfase tussen dictatuur en democratie. Militairen namen Barroso mee in een jeep. Hij keek hen aan en zei: „Ik denk niet dat jullie de moed hebben om iemand in de rug te schieten.” Barroso sprong naar buiten. De soldaten schoten niet.

Hij weet nog hoe de revolutie begon, vertelt hij nu in Japan. „Ik was bezig aan het eerste jaar van mijn rechtenstudie, aan de universiteit van Lissabon. Meestal studeerde ik ’s avonds laat. Op een avond luisterde ik naar de radio. De normale muziek veranderde. Ik dacht: wat is er aan de hand? Toen hoorde ik een stem die zei: dit is een beweging van de gewapende krachten, dit is democratisch, we maken een einde aan de dictatuur – en dat soort dingen. Ik maakte mijn vader wakker en zei: dit is een revolutie. Onmiddellijk ging ik de straat op.

„Ik denk dat ik bevoorrecht was dat ik dat heb meegemaakt. Het was het belangrijkste moment in mijn publieke leven. Het heeft me ervan doordrongen hoe belangrijk politiek is. Omdat politiek het lot van een land volledig kan veranderen. Van miljoenen mensen, op één moment. Het was de langstdurende dictatuur in Europa – 48 jaar – en die werd zomaar beëindigd. Dat was belangrijk voor mijn persoonlijke ontwikkeling. Voor het belang dat ik hecht aan politiek. Sommige mensen zijn cynisch over politici. Ze zeggen dat ‘ze’ allemaal hetzelfde zijn. Dat is niet waar! Politiek kan een verschil maken.”

Barroso was premier van Portugal toen hij in 2004 gevraagd werd voor het voorzitterschap van de Europese Commissie. Zijn benoeming kwam als verrassing. Hij was een compromisfiguur, nadat anderen, zoals de Belg Guy Verhofstadt en de Brit Chris Patten, waren afgevallen. Barroso was de kandidaat tegen wie niemand bezwaar had. Erg hoog waren de verwachtingen niet. Hij leek alles in zich te hebben om een voorzitter te worden zoals regeringsleiders die graag zien: niet te sterk. En dus: niet te lastig.

Volgens critici zocht Barroso de afgelopen jaren zelden de confrontatie met lidstaten. Maar binnen de Europese Commissie wordt hij niet gezien als slap of makkelijk. Integendeel. Hij is ‘presidentiëler’ dan zijn voorgangers, klinkt het, en hij krijgt meestal zijn zin.

Vóór de uitbreiding van de EU met twaalf nieuwe lidstaten – in 2004 en 2007 – werd gevreesd dat het heel moeilijk zou worden om nog besluiten te nemen. Die voorspelling is niet uitgekomen. De Europese Commissie blijkt met 27 leden – voor iedere lidstaat één – best te functioneren. Sterker, de wekelijkse vergaderingen zijn efficiënter geworden. Een belangrijke verklaring daarvoor is: Barroso. Hij zorgt ervoor dat beslissingen vaak al in kleine kring zijn genomen voordat de vergadering begint.

Halverwege het gesprek op de luchthaven schenkt José Manuel Barroso de glazen nog een keer bij. In Brussel staat hij bekend als liberaal. Maar de partij waarvan hij in Portugal lid is heet ‘sociaal-democratisch’. De Portugese revolutie, zegt hij, was een linkse revolutie, want de dictatuur was rechts. „Iedereen was na de revolutie een socialist of een sociaal-democraat. Anders werd je al snel gezien als uiterst rechts. Maar wat belangrijk is: mijn partij is een centrumpartij en een hervormingspartij. Ik ben liberaal als het gaat om de economie. Ik geloof, in zijn algemeenheid, dat interventie van de staat verkeerd is. Omdat het concurrentie verstoort en omdat het leidt tot inefficiënties.

„Maar ik geloof ook dat we meer moeten doen om mensen in nood te helpen. Ik ben voor beleid dat welvaart herverdeelt. Op nationaal, Europees en mondiaal niveau. In Europa zijn er armen, mensen die onder zeer slechte omstandigheden leven, ook in sommige van de rijkere landen. Daarom heb ik onlangs een voorstel gedaan. Mensen weten dat misschien niet, maar in Europa hebben we een programma om kwetsbare groepen aan voedsel te helpen. Ik wil het bedrag dat daarvoor beschikbaar is verhogen van 300 naar 500 miljoen euro. Vijftien landen profiteren daarvan. Via non-gouvernementele organisaties gaat er hulp naar mensen die nu problemen ondervinden. In nieuwe lidstaten, maar ook in sommige oude lidstaten.”

Zijn voorgangers hadden grote projecten. De euro. De uitbreiding. En Europa zelf was voor hen een project. José Manuel Barroso bepleitte projecten voor Europa, zoals een Europees technologie-instituut (EIT), dat een tegenhanger moet worden van het prestigieuze MIT in Boston. En een met vele miljoenen gevuld ‘globaliseringsfonds’, dat mensen kan helpen wanneer hun baan wordt overgenomen door Indiërs of Chinezen. De projecten van Barroso moeten burgers helpen zich aan te passen aan een wereld die verandert.

Maar Barroso moest zich de afgelopen jaren vooral bezighouden met verschillende crises. In 2004 dreigde het Europees Parlement zijn Commissie niet te benoemen tijdens de affaire rond Rocco Buttiglione. De Italiaan, die eurocommissaris voor Justitie zou worden, had twijfelachtige opvattingen over homoseksualiteit (een ziekte) en over de rol van vrouwen in het gezin (kinderen baren). Een jaar later had Barroso een nog groter probleem toen Frankrijk en Nederland per referendum de Europese Grondwet verwierpen.

Vorig jaar werden Europese leiders het na lang onderhandelen eindelijk eens over het Verdrag van Lissabon. De naam was anders, maar de inhoud was grotendeels gelijk aan de grondwet. En toen waren het vorige maand de Ieren die ‘nee’ zeiden. En dus is het weer crisis in Europa.

Het nieuwe verdrag voorziet onder meer in een kleinere Europese Commissie. De functie van ‘hoge vertegenwoordiger’ voor het buitenlandbeleid (nu de Spanjaard Javier Solana) zou worden uitgebreid. En er zou een soort EU-president komen. Voor die functie worden in de Brusselse wandelgangen onder meer de Britse oud-premier Tony Blair, de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker genoemd, en: José Manuel Barroso. Die reageerde tot nu toe ontwijkend op vragen over zijn toekomstplannen. Voorlopig treedt het nieuwe EU-verdrag ook niet in werking. Dat gebeurt pas wanneer alle 27 lidstaten het hebben geratificeerd.

Na het Ierse ‘nee’ zei u: je kunt Brussel niet van maandag tot en met zaterdag overal de schuld van geven, en dan op zondag verwachten dat mensen ervoor stemmen. Wat wilde u daarmee bereiken?

„Dat was een pleidooi van me aan de leiders van Europa op het nationale niveau. Die hebben soms de neiging om de Europese Unie te behandelen als een buitenlandse mogendheid. Zelfs in landen die aan de wieg hebben gestaan van de EU. Ik ben zelf premier geweest van een land, dus ik begrijp dat politici in eerste instantie aandacht moeten geven aan nationale zorgen. Ik suggereer niet dat de Nederlandse of de Portugese premier niet de nationale belangen zou moeten verdedigen. Maar ik vraag hun dat te doen om een manier die verenigbaar is met Europese idealen.”

Nationale politici geven Brussel sinds mensenheugenis de schuld van zaken die misgaan. Hoe denkt u dat te kunnen veranderen?

„Ik denk dat de werkelijkheid heel sterk is. Die zal zichzelf opdringen. De uitdagingen van de globalisering zullen ervoor zorgen dat mensen het begrijpen. Als je bijvoorbeeld hier komt, in Japan, maken ze geen onderscheid tussen Nederland of België of Spanje. Het is Europa. En het is duidelijk. We winnen het gevecht of we verliezen het. Ik geloof echt dat de globalisering een belangrijke impuls zal zijn voor Europese integratie. Handel, financiële markten, energie, klimaat, terrorisme – daar hebben we een Europese dimensie voor nodig. Anders zijn we gedoemd. Dan zijn we irrelevant. Als je Europa vergelijkt met de demografische macht van China en India, met Rusland dat geografisch gunstig ligt, of met de VS die financieel en militair machtig zijn, zijn we dan te groot? Dat zijn we niet. Het is tamelijk duidelijk. Wil je de rest van de wereld beïnvloeden, en wil je de belangen verdedigen van onze burgers, dan heb je Europa nodig. Ik denk dat gewone burgers zich beginnen te realiseren dat de prijs van olie niet zal afhangen van een beslissing van de Nederlandse of de Portugese regering. Die hangt meer af van de relatie met Rusland, of de waarde van de dollar.”

Mensen die u goed kennen zeggen dat u eigenlijk een hekel heeft aan al dat praten over instituties en verdragen. Klopt dat?

„Een deel van de desillusie van Europese burgers over de EU is te wijten aan het feit dat ze zien dat Europese leiders veel van hun tijd besteden aan verdragen en aan het wijzigen daarvan. Dat kost energie en tijd. Plaats jezelf in de positie van een gewone Nederlander of een gewone Portugees. Die ziet dat hij steeds meer moet betalen in de supermarkt. Hij ziet dat de benzine steeds duurder wordt. En – als hij betrokken is bij de rest van de wereld – dan ziet hij dat er honger is. Dat overleven echt een probleem is in sommige landen, als gevolg van de hoge voedselprijzen. En tegelijkertijd ziet hij dat wij veel tijd kwijt zijn aan het bespreken van institutionele zaken. Natúúrlijk is dat moeilijk uit te leggen.

„Begrijp me niet verkeerd, ik ben voor het Verdrag van Lissabon. Ik heb er een hoop werk voor gedaan. Maar ik geloof niet in Brusselse praat. In Brussel hebben mensen de neiging voortdurend te praten over instituties als het alfa en omega van het leven. Als doel. Dat is niet juist. De instellingen zijn belangrijk wegens de resultaten die je ermee kunt bereiken.”

Heeft u de afgelopen jaren nooit gedacht: laten we dat verdrag gewoon vergeten?

„Na het ‘nee’ van Frankrijk en Nederland heb ik gezegd: ‘Een depressie is alleen goed voor farmaceutische bedrijven. Laten we een depressie zien te vermijden. We moeten niet denken dat dit het einde van alles is. We moeten doorgaan en werken aan concrete resultaten voor onze burgers.’ Nu zeg ik hetzelfde. Laten we wat tijd nemen om een oplossing te vinden. En laten we ervoor zorgen dat we onszelf niet blokkeren. Laten we het huidige verdrag optimaal benutten totdat we – hopelijk – een nieuw verdrag hebben. Dat is mijn boodschap. En dat is geen aanval op Europese instellingen – ik zal de laatste zijn om dat te doen. Ik wil de zaken alleen in perspectief plaatsen.”

Zou het eigenlijk veel uitmaken als dat nieuwe verdrag van kracht werd?

„Een van de grote voordelen van het Verdrag van Lissabon is dat we minder beslissingen zullen nemen met unanimiteit. Dat is belangrijk. In een uitgebreid Europa moet je meer beslissingen kunnen nemen met gekwalificeerde meerderheid.

„Ik denk ook dat het belangrijk is dat we een hoge vertegenwoordiger krijgen die tevens vice-voorzitter wordt van de Europese Commissie. Dat geeft meer mogelijkheden om naar buiten toe op te treden, meer wat de Duitsers noemen Handlungsfähigkeit. Als we één persoon hebben die praat met de lidstaten en óók vice-voorzitter is van de Commissie – die gaat over handel, ontwikkelingshulp, energie en justitie – dan heeft hij of zij veel meer invloed. Meer informatie. We zouden onze belangen op een veel coherentere en rationelere manier kunnen verdedigen.

„En het wordt democratischer. Dat is de paradox: eurosceptici verzetten zich tegen het Verdrag van Lissabon, omdat Europa volgens hen onvoldoende democratisch is. Maar dat verdrag geeft meer macht aan het Europees Parlement en meer macht aan de nationale parlementen.”

Na het Ierse ‘nee’ was de boodschap van u en van andere Europese leiders: we gaan door. In het Europees Parlement hoor je nogal wat mensen zeggen: we moeten oppassen dat we burgers nu niet het gevoel geven dat we hun dat verdrag door de strot duwen.

„We moeten het ratificatieproces afmaken. Dat is een basisprincipe: als je een verdrag tekent, dan verplicht je jezelf ertoe te proberen ervoor te zorgen dat het geratificeerd wordt. De Ierse regering heeft dat geprobeerd, en dat is niet gelukt. Maar de andere regeringen hebben niet alleen het recht, ze hebben ook de plicht om het ratificatieproces af te ronden. Uiteindelijk, wanneer dit proces is afgerond, zullen we de kwestie meer in detail bespreken met onze Ierse partners. Om te zien of er een uitweg is.”

Hoe ziet uw persoonlijke toekomst eruit?

„Kijk, zoals je ziet, geniet ik van wat ik wat doe. Ik voel me vereerd en bevoorrecht. Als ik vandaag een beslissing moest nemen over een tweede termijn, dan zou mijn antwoord ‘ja’ zijn. Gesteld natuurlijk dat ik de steun heb van de lidstaten en van het Europees Parlement. Ik heb dat nog niet eerder gezegd. Maar één jaar is een eeuwigheid in de politiek. Als ik zeg dat het nu te vroeg is, dan is dat niet een of andere politieke uitspraak, ik meen het echt. Mensen zeggen dat we bureaucraten zijn. Ik ben geen bureaucraat, of een technocraat, maar een democraat. Ik zal in juni of juli, wanneer de beslissing moet worden genomen, zien of de omstandigheden goed zijn om door te gaan. En of de Europeanen me willen.”