Wereldhandel kan uitglijden over een bananenschil

Na het missen van twee eerdere deadlines probeert de wereld komende week eindelijk tot een nieuw mondiaal handelsakkoord te komen. Is er nu iets nieuws onder de zon?

Ruzie om een ogenschijnlijk futiel onderwerp als bananenhandel kan de komende week onderhandelingen over de wereldhandel volledig doen falen. Europees Commissaris Peter Mandelson (Handel) had geen moeite om dit afgelopen donderdag expliciet te erkennen. Terwijl de EU nota bene zelf de hoofdrol speelt in de bananenkwestie.

Voor het eerst in twee jaar tijd komen vanaf aanstaande maandag op het hoofdkwartier van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in Genève handelsministers weer bijeen in een poging om de onderhandelingen in de zogeheten Doha Ronde (zie inzet) tot een goed einde te brengen. Veel staat op het spel. Het is de eerste test, zei Mandelson donderdag, voor een multipolaire wereld waarin ook een belangrijke rol is weggelegd voor „de uitoefening van verantwoordelijkheid door opkomende machten als China, Brazilië en India”. „Als we falen voor deze test”, zo vervolgde Mandelson, „zal het onze kansen reduceren om in de toekomst succes te hebben bij onderhandelingen over klimaat, voedselgebrek of energiezekerheid.”

De grote rol die bananen nu spelen toont vooral hoe de onderhandelingen over wereldhandel zijn opgebouwd uit onenigheid over allerlei kleinere en grotere deelbelangen met soms een lange geschiedenis. Kern van de bananenkwestie is bijvoorbeeld dat Europa jaren geleden besloot om aardig te zijn voor ex-koloniën. Europa heft geen invoerrechten over hun bananen. Andere, meest Latijns-Amerikaanse landen, betalen wel invoerrechten en dus zijn hun bananen duurder. Omdat Latijns-Amerikaanse bananen verhandeld worden door bedrijven als Chiquita zijn de VS ook betrokken.

Er ligt nu een voorstel op tafel van Pascal Lamy, directeur-generaal van de WTO, om het bananenprobleem uit de wereld te helpen. „Niemand is helemaal tevreden met dit voorstel”, aldus Mandelson, maar het land dat het voorstel afwijst „zal een zware verantwoordelijkheid op zich nemen voor het mislukken van de Doha Ronde.”

De bananenkwestie is symbolisch omdat het creëren van nieuwe kansen voor ontwikkelingslanden centraal staat tijdens deze onderhandelingen. Niet voor niets spreekt men over de Doha Ontwikkelingsagenda. Rijke landen zouden niet alleen de toegang voor landbouwproducten uit arme landen vergemakkelijken, maar ook directe steun aan hun eigen landbouw verminderen en exportsubsidies op landbouwproducten afschaffen. Een beroemd slachtoffer van deze laatste categorieën van steun is West-Afrikaans katoen, dat op de wereldmarkt wordt kapot geconcurreerd door gesubsidieerd Amerikaans katoen. Ook hier is al jaren duidelijk waar het probleem ligt, maar is er nog steeds geen oplossing.

Het zijn echter niet alleen arme en rijke landen die met elkaar in de clinch liggen. Rijke landen beconcurreren elkaar ook met landbouwproducten en maken onderling dus ook ruzie over de mate van steun die zij hun landbouw geven. Vervolgens eisen de rijke landen van de opkomende ontwikkelingslanden grotere toegang voor industrieproducten. Daarmee instemmen is het „uitoefenen van verantwoordelijkheid door opkomende machten”, waar Mandelson aan refereerde.

Er blijken twee fundamentele verschillen te zijn met de mislukte onderhandelingsronde twee jaar geleden. Een analyse van de landbouwvoorstellen, gedaan door het onafhankelijke International Food and Agricultural Trade Policy Council (IPC), concludeert dat een positief resultaat vooral afhangt van de bereidheid van de VS om te snijden in overheidssteun. Hier komen de hoge voedselprijzen de VS te hulp. Als boeren veel geld aan hun producten verdienen, hebben ze weinig inkomenssteun nodig. Ook de EU heeft nog honderden miljoenen in kas aan onbetaalde subsidies. Dat betekent dat de overheden makkelijk de begroting voor subsidies kunnen terugschroeven, zonder dat er feitelijk in de uitgaven wordt gesneden.

Een tweede verschil met twee jaar geleden is dat overheden de tijd hebben gehad om uit te rekenen wat allerlei voorstellen eigenlijk voor concrete effecten zullen hebben. In sommige landen bestaan bijvoorbeeld op papier extreem hoge invoerrechten die in de praktijk helemaal niet worden geheven. Als die hoge, papieren tarieven worden gereduceerd hoeft dat geen enkel effect te hebben op het werkelijk geheven tarief. Het vaststellen van invoerrechten „was altijd een kunst, nooit een wetenschap”, stelt het IPC dan ook.