Weerhoren

Een paar dagen geleden kreeg ik aangekondigd bezoek van een oude vriend die in 1960 naar Australië was geëmigreerd. Op zijn 23ste had hij, Hans van S., het vaderland verlaten en sindsdien was hij er niet meer terug geweest. Het duurde een paar seconden voor we elkaar herkenden. De identificatie werd vergemakkelijkt doordat hij zijn moedertaal goed had bijgehouden; boeken van Multatuli, Couperus en Hermans meegenomen, naar de Wereldomroep geluisterd, aan de andere kant van de wereld met Nederlandse emigranten het contact bewaard. Het was een mooi weerzien. Zoals dat dan gaat, werd er veel over vroeger gepraat. Soms had hij een licht Australisch accent, maar de Rotterdamse ondertoon was blijven overheersen. Afgezien daarvan bleef er iets vreemds in zijn spraak. Opeens wist ik het. Hij sprak Nederlands jaren vijftig, wat langzamer, scherper gearticuleerd en hoe zal ik het zeggen, met meer voorkomendheid. Ik zat, taalkundig gesproken, met een archeologisch mens te praten. Dat zei ik hem. Hij was zich er niet van bewust.

De taal verandert, waarschijnlijk steeds sneller. Graag had ik willen horen hoe Eduard Douwes Dekker sprak, of Willem Bilderdijk of Pieter Jelles Troelstra toen hij in 1918 in de Tweede Kamer de revolutie aankondigde. Er zijn grammofoonplaten (wat een verouderd woord) waarop je Enrico Caruso hoort zingen, aan het begin van de vorige eeuw. Het verleden wordt vandaag. Op een filmjournaal heb ik minister-president Hendrik Colijn gezien en gehoord: hoe hij in een kerk in Hoorn de 350ste geboortedag van Jan Pieterszoon Coen herdacht. Klanken uit de sarcofaag van de vaderlandse geschiedenis. De stemmen van de nieuwslezers in de oorlog herinner ik me als licht hysterisch. Philip Bloemendal (1918-1999) was de eerste moderne nieuwslezer van na de oorlog en de stem bij het Polygoon bioscoopjournaal. Nadat zijn carrière in Hilversum was afgelopen, heeft hij voor het GVB in Amsterdam op een bandje de haltes van de metro aangekondigd. Nieuwmarkt. Weesperplein. Ik nam de metro om iets van de Bevrijding te horen.

Op zoek naar de verloren tijd. Marcel Proust had het met geuren. Met klanken werkt het ook. In een hypermoderne geluidsinstallatie laat je een stoomtrein uit een oud station vertrekken, een vliegtuig met zuigermotoren starten en opstijgen, het geronk wegsterven. Over een paar jaar krijgen we heimwee naar het raspend geluidje van de sigarettenaansteker, de zware hoestbui van een roker. Je zou een Madame Tussaud voor het geluid moeten oprichten; nu beginnen met het geratel van de stalen banden van een sleperskar, de hoefslag van de paarden op de oude straatkeien, en dan langzamerhand verder, in systematische opbouw. Misschien is het er al, dacht ik. Even gegoogled. Er is wel een Stemmenbureau, Inter Voice. Dat zoekt uit een voorraad van 1250 stemmen de beste voor je verkoopbevorderende tekst. Dat is het tegendeel van wat ik bedoel. Gelukkig hebben we nu YouTube voor de ouwe liedjes.

Mijn makker uit Australië hoort tot het soort Nederlanders dat we tegenwoordig hier ekspets noemen. Ze hebben zich wel in het buitenland gevestigd maar zijn aan hun patria verknocht gebleven. Het trof goed: de Wereldomroep had een onderzoek gedaan waaruit is gebleken dat de emigranten hun voormalige landgenoten steeds onbeleefder vinden. Ik vroeg Hans wat hij ervan dacht. Onbeleefd? Ja, hij was de dag tevoren op een zebrapad door een automobilist bijna in het asfalt gereden. Dat zou hem in Brisbane niet zijn overkomen. Voor de rest had hij niet te klagen. Maar ik vind wel, zei hij, dat jullie steeds eigenaardiger zijn gaan praten. Hoe dan? vroeg ik. Tja, zei hij, het is alsof jullie steeds ruzie hebben. En als ik het zeggen mag, het is ook platter geworden. Platter? Ja. Hij noemde een reeks woorden die ik, conservatief als ik ben, hier niet zal opschrijven. Een halve eeuw geleden hoorden ze tot de categorie ‘lelijke woorden’ die je in ‘beschaafd gezelschap’ niet gebruikte. Beschaafd gezelschap is door de Nederlandse televisie weggedemocratiseerd en lelijke woorden bestaan niet meer. Dat probeerde ik Hans uit te leggen. Ik zag wel dat hij het niet helemaal begreep maar hij was zo beleefd om dat niet te zeggen.

In de enquête van de Wereldomroep is de ekspets ook gevraagd wat ze van het eten en drinken en de bediening in de Nederlandse restaurants vinden. In Het Parool dat het onderzoek heeft uitgediept, komt iemand aan het woord die een glas wijn bestelt. Deze wijn is zwaar gekurkt. Ze zegt niet op moderne toon ‘deze wijn is niet te zuipen’ maar doet beleefd haar beklag. De ober neemt een slok. ‘Deze wijn is uitstekend’, zegt hij. Hoe het is afgelopen wordt jammer genoeg niet vermeld. In de paar dagen dat hij hier was, had Hans alleen goede wijn gedronken, maar bij zijn taaie biefstuk wel de lafste gebakken aardappeltjes van zijn hele leven gekregen. Heb je je beklag gedaan? Nee, dat durfde ik niet.

Het onderzoek van de Wereldomroep is een goed begin. Nu de taalkundigen, de gedragswetenschappers, de etnologen, de historici. Het wachten is op een grondige beschrijving van het Nieuwe Nederland.