Column

Uit mijn duim (1)

Je ziet ze niet meer. Waar zijn ze? Heeft de ov-jaarkaart ze lui gemaakt? Of zelfs verdreven? Maar het waren toch niet uitsluitend studenten? Het waren ook soldaten. Die werden trouwens bijna altijd meegenomen.

Zelfs mijn ouders stopten voor ze. Uitsluitend voor soldaten en meisjes. De rest zocht het maar uit. Die meisjes konden beter bij ons in de auto zitten dan bij een of andere enge griezel met heel andere bedoelingen. Dat vonden mijn ouders. En eenmaal in de auto kreeg zo’n meisje altijd een goedbedoeld preekje van mijn moeder. Of ze wel wist hoe gevaarlijk het voor een meisje alleen was? En of haar ouders wisten dat ze liftte?

„Ja”, loog het meisje. Vaak zei ze dat het om een klein stukje ging. Maar ook op kleine stukjes kon volgens mijn moeder heel veel gebeuren. Juist op heel kleine stukjes. Echte moeders voeden altijd op.

Ik heb het dus over lifters. Ze zijn verdwenen uit het snelwegbeeld. Heel af en toe zie je er nog een, maar dat is dan ook echt héél af en toe. Je moet aan je kinderen uitleggen wat iemand bedoelt als hij zijn duim naar je auto opsteekt. Hij wil mee.

„Waarom heeft-ie zelf geen auto?”, vroeg mijn zoon toen hij nog heel klein was. Goeie vraag. In kinderogen heeft iedereen namelijk een auto.

Het liften heeft me van kleins af aan gefascineerd. Vijfenveertig jaar geleden was ik negen toen ik mijn eerste lift kreeg. Min of meer per ongeluk. Ik woonde in Naarden en mocht op zondag af en toe in mijn eentje naar Ajax. Dat was een simpel busritje zonder overstappen. Ik ging al vroeg omdat Ajax vanaf twaalf uur aan een bepaald loket in De Meer jongenskaartjes verkocht.

Van mijn moeder kreeg ik twee gulden mee. Een retourtje Amsterdam was een piek, het jongenskaartje vijftig cent en de overgebleven twee kwartjes mocht ik versnoepen. Zo heette dat toen. Op een zondag stond ik op de Rijksweg bij de halte Thierensweg te wachten toen er een echtpaar stopte. Waar de kleine jongen naar toe moest? Zij gingen ook naar Amsterdam en voor ik het wist zat ik achterin te kakelen over de opstelling en de kansen van mijn cluppie.

Was dit liften? Nee, dit was meerijden. Ze zetten me af bij het stadion en reden door om die meneer zijn oude moeder te bezoeken. Dat deden ze elke zondag. Na de wedstrijd ging ik bij het stoplicht staan en vroeg ik aan mensen of ze richting Naarden gingen. Domme vraag want iedereen vanaf daar ging richting het Gooi. Binnen de kortste keren zat ik prinsheerlijk achterin. Kleinduimpje op avontuur. Een beetje misselijk van het snoepen. Want voor een gulden vijftig kon je veel kopen in die tijd. Thuis hield ik uiteraard mijn bek dat ik met vreemde mensen was meegereden. Alleen mijn broer Tommie wist het. Geloof niet dat hij een kwartje zwijggeld wilde.

Twee weken later stopte hetzelfde echtpaar en na de wedstrijd zat ik weer in een mooie auto. De terugreis was nooit een probleem. Zeker niet als ze gewonnen hadden.

Jaren ging het goed. De heenreis met dat mutsige echtpaar vond ik op een gegeven moment wel een beetje tuttig worden, dus al gauw ging ik wat eerder of later en stak ik heldhaftig mijn duimpje in de lucht. Ik liet de bus aan mij voorbij gaan.

Waarschijnlijk vertederde het beeld van dat liftende kleine kereltje want binnen een minuut werd ik meestal meegenomen. Bijna altijd door echtparen en keer op keer werd ik door de vrouw streng toegesproken. Of ik wel wist hoe gevaarlijk het was? Juist op kleine stukjes! En of mijn moeder het wist? Ja, loog ik net als de meisjes.

Op de relatief veilige ritjes van twaalf kilometer tussen Naarden en Amsterdam werd de lifter in me geboren. De horizon lonkte. Eigenlijk kon ik niet wachten. Zo klein als ik was: Ik wilde weg. Waarheen? Wel eens van de wijde wereld gehoord? (Wordt vervolgd.)

Youp van ’t Hek