Praten na de pijn

Videobeelden toonden deze week voor het eerst het verhoor van een terreurverdachte op Guantánamo Bay. Zonder marteling. Het brein achter de aanslagen van 11 september kreeg een andere behandeling. In Polen.

In een geïmproviseerde gevangenis in het noorden van Polen zit de architect van Al-Qaeda’s aanslagen van 11 september 2001 tegenover zijn ondervrager van de CIA. Achttien maanden na die moord op meer dan drieduizend mensen geeft de Amerikaanse inval in Irak moslimextremisten nieuwe motieven voor het gebruik van geweld. Als iemand informatie kan verstrekken over een volgende samenzwering is het deze man: Khalid Sheikh Mohammed.

De ondervrager is Deuce Martinez, een vriendelijke analist met een zachte stem die geen Arabisch spreekt. Een aanbod van de CIA om hem te trainen in de techniek van ‘waterboarding’ (een martelmethode waarbij de gevangene steeds bijna verdrinkt) wees hij af. Hij heeft ervoor gekozen het veroorzaken van pijn en paniek aan anderen over te laten, aan de stoere, paramilitaire types die door minder fijngevoelige ondervragers ook wel ‘boksbeugels’ worden genoemd.

Meneer Martinez wordt erbij gehaald na afloop van het grove werk. Hij is de ultieme ‘good cop’ met alle klassieke eigenschappen die bij dat type horen; een geruststellende verschijning met onuitputtelijk geduld en een kalme bereidheid om te luisteren naar de klachten en overpeinzingen van een meedogenloze moordenaar, in gebrekkig en onbeholpen Engels.

Khalid Sheikh Mohammed gooide steeds valse informatie en grootspraak door elkaar en vulde dit aan met details over samenzweringen in het verleden of over toekomstige, reeds geplande aanslagen. Na verloop van tijd werd hij loslippiger. „Ze voerden lange gesprekken over het geloof, vergeleken aspecten van de islam met het katholicisme van Martinez”, herinnert een CIA-officier zich. Hij voegt hier een detail aan toe dat niemand van tevoren had kunnen voorspellen: „Mohammed schreef gedichten voor de vrouw van Martinez.”

In het Hollywoodcliché schreeuwt een beul zijn vragen naar een vastgebonden terrorist, terwijl hij hem gruwelijk pijnigt. Het CIA-programma zag er anders uit. Een paramilitair team voerde de druk geleidelijk op, gebruik makend van extreem lage temperaturen, slapeloosheid, angst en pijn om de gevangene te dwingen tot praten. Op een enkel teken van de gevangene deden zijn beulen een stap opzij. Na een pauze van een dag of wat werden de verhoren door Martinez of een andere ondervrager hervat.

Het succesvol opbouwen van een verstandhouding met de meest gewetenloze terroristen, zoals Martinez deed, raakt het hart van de discussie over verhoortechnieken. Had de traditionele methode misschien dezelfde informatie opgeleverd? Of was Mohammed zo babbelziek uit angst voor de wrede behandelingen die hij eerder had ondergaan?

Er bestaat weinig kans op een definitief antwoord zolang president Bush in het Witte Huis verblijft. Het was zijn regering die erop stond dat er geen bladzijde van de zevenduizend documenten over het programma openbaar wordt gemaakt. De CIA weigerde informatie te geven. Gedeeltelijk, zo gaf een woordvoerder aan, omdat het agentschap zich niet wil bemoeien met de toekomstige militaire rechtszaken tegen de heer Mohammed en ten minste vier andere verdachten uit Al-Qaeda, in Guantánamo Bay, Cuba.

De twee dozijn huidige en voormalige geheim agenten van Amerikaanse of buitenlandse afkomst die voor dit artikel werden geïnterviewd, boden een verleidelijke, maar incomplete beschrijving van het CIA-programma. De meesten wilden alleen iets kwijt over het strikt geheime gevangenenprogramma, op voorwaarde van anonimiteit.

De heer Martinez wilde niet worden geïnterviewd, zijn rol wordt beschreven door zijn collega’s.

Het simpele feit dat Martinez, een professionele narcotica-analist die de moedertaal van de terroristen niet machtig was en die ook geen enkele ervaring had op het gebied van politieverhoren, een dergelijke cruciale rol kon vervullen, illustreert het ad hoc karakter van het programma. Hoge functionarissen erkennen dat het programma in 2002 onder grote druk in elkaar werd geflanst door een agentschap zonder noemenswaardige expertise in gevangenschap en verhoren.

„Ik vroeg: ‘wat gaan we in vredesnaam doen met die kerels als we ze te pakken hebben’?”, herinnert A.B. Krongard zich. Hij was de op twee na hoogste functionaris van de CIA van maart 2001 tot 2004. „We hebben nooit eerder leidinggegeven aan een gevangenis. We spreken de talen niet. We hebben de ondervragers niet.”

In paniekerige haast nam het agentschap de gewichtige beslissing om gebruik te gaan maken van dezelfde wrede verhoortechnieken die door de Verenigde Staten steeds waren veroordeeld. Met een minimum aan onderzoek en reflectie leende de CIA een aantal verhoortechnieken van een Amerikaans militair trainingsprogramma, gemodelleerd op de verouderde martelmethoden van de Sovjet-Unie en andere tegenstanders in de Koude Oorlog, een beslissing die het agentschap nog steeds achtervolgt.

Of het nou lag aan de angst voor het beruchte ‘waterboarding’, aan de goede verstandhouding tussen de gevangenen en ondervragers zoals Deuce Martinez of aan de demoraliserende effecten van de isoleercellen, inmiddels waren Mohammed en een paar medegevangenen zich behoorlijk tegemoetkomend gaan gedragen. Ze hadden zich zelfs verenigd in een groepje terroristenexperts dat de CIA begon te adviseren over de ideologieën, de doelen en de (vak-)kennis van hun mede-extremisten. Toen hem bijvoorbeeld door CIA-agenten werd gevraagd op welke wijze hij een lading explosieven de Verenigde Staten in zou smokkelen, antwoordde Mohammed dat hij dan waarschijnlijk een containerschip met computers vanuit Japan zou laten komen, voor de helft volgepakt met explosief materiaal.

„Het was de bedoeling om de denktrant van een terrorist beter te leren begrijpen en ook de manier waarop zo’n persoon bepaalde zaken zou aanpakken”, zei een buitenlandse functionaris over de discussies omtrent hypothetische aanslagen. En zo kon het gebeuren dat de architect van 9/11 daadwerkelijk een antiterroristisch adviseur werd, in dienst van de Amerikaanse overheid die hij, volgens zijn eerdere verklaringen, zo hartgrondig verachtte.

Toen Martinez in de winter van 2002 naar Pakistan vloog, was hij op weg om zich aan te sluiten bij een steeds wanhopiger wordende campagne, die iedereen die ook maar een vermoeden kon hebben van een terroristische samenzwering wilde vastzetten en ondervragen. Maanden waren verstreken sinds 9/11 en nog geen enkele belangrijke Al-Qaeda-officier was tot dusver levend gepakt. Geheime agenten werden gealarmeerd door afgeluisterd ‘geklets’ over mogelijke dreigingen, maar zonder een hooggeplaatste terrorist achter de tralies kwam de overheid bronnen tekort die hadden kunnen waarschuwen voor een volgende terroristische aanslag.

Toen kwam, in februari 2002, het CIA-kantoor in Islamabad (Pakistan) erachter dat Abu Zubaydah, logistiek expert van Al-Qaeda, zich in Lahore of Faisalabad zou bevinden. Twee steden die ongeveer 120 kilometer uit elkaar liggen en een gezamenlijk aantal bewoners hebben van meer dan twee miljoen. De (elektronische) jacht op de terrorist werd steeds intensiever.

Via het mobiele telefoonnummer van Abu Zubaydah werd een elektronische scanner (ook wel ‘toverdoosje’ genoemd) ingezet door afluisterspecialisten. Deze scanner kan iedere mobiele telefoon in werking traceren en de locatie ervan doorgeven. Maar Abu Zubaydah was zeer voorzichtig: hij zette zijn telefoon steeds net lang genoeg aan om berichten te kunnen ontvangen, maar nooit lang genoeg om de speurders zekerheid te geven over zijn exacte verblijfplaats.

Dat was de situatie die Martinez aantrof in Pakistan.

Martinez groeide op in Virginia, als zoon van een CIA-technicus die werkte aan de geheime communicatielijnen van het agentschap alvorens er een leidinggevende functie te bekleden. Hij promoveerde in de politieke wetenschappen aan de James Madison Universiteit en begon meteen daarna met het trainingsprogramma van de CIA, kort voordat zijn vader met pensioen zou gaan. Hij begon bij de narcoticabrigade en leerde daar de kunst van het uitpluizen: talloze telefoonnummers, reisschema’s, creditcardtransacties en nog veel meer zaken die van groot belang kunnen zijn in de jacht op mogelijke terroristen.

„Deuce had de reputatie van een zonderling figuur die de gave had om uit een enorme berg gegevens trefzeker de relevante informatie te vissen”, vertelde een voormalig CIA-functionaris. Binnen de enorme culturele verscheidenheid van het agentschap was hij de thuiswerkende analist. Voor hem geen spannende veldoperaties. Zijn instrument was de computer. Tot de ‘aardverschuiving’ van 9/11 was zijn expertise de wereld van de drugskartels, niet die van de terroristische netwerken.

Na de aanslagen kwamen CIA-functionarissen er al snel achter dat het opsporen van grote drugshandelaren erg veel overeenkomsten heeft met het jagen op terroristische kopstukken. Martinez was een van de zes narcotica-analisten die werden overgeplaatst naar het Counter Terrorist Centre om vervolgens agenten te worden in de jacht op Al-Qaeda. Hij was toen zesendertig jaar.

Collega’s vertellen dat Martinez zich vol passie op het werk stortte. Op een muur in de Amerikaanse ambassade van Islamabad hing hij een groot, wit vel papier. In het midden schreef hij het telefoonnummer van Abu Zubaydah. Vervolgens werden er, gedurende ongeveer een week, steeds nieuwe, relevante nummers aan toegevoegd, door hemzelf maar ook door anderen. Die nummers kwamen dan uit de afluisterdossiers van het agentschap voor de veiligheid, (National Security Agency) en van de Pakistaanse Inlichtingendienst. Geleidelijk aan brachten ze een enorm netwerk in kaart van de contacten rond Abu Zubaydah.

Via de nummers en de daaraan gelieerde adressen konden Martinez en zijn collega’s verder zoeken naar de meest waarschijnlijke schuilplaatsen van Abu Zubaydah. De lijst telde niet minder dan veertien adressen in Lahore en Faisalabad die voortdurend in de gaten werden gehouden. Op 28 maart 2002, om twee uur ’s middags, vielen veertien teams onder leiding van de Pakistaanse Punjab Elite Force exact tegelijk de huizen binnen, terwijl de Amerikanen buiten stonden te wachten.

Een van de SWAT-teams (in Nederland zou dit de Bijzondere Bijstand Eenheid zijn geweest, red.) vond Abu Zubaydah, omringd door Syrische en Egyptische lijfwachten in een statig huis aan de Canal Road in Faisalabad. Er werd behalve explosief materiaal voor het vervaardigen van bommen een kluis aangetroffen met 100.000 dollar in contanten, vertelde een betrokken terrorisme-expert. De foto’s van deze inval laten ons Abu Zubaydah zien, een gladgeschoren dertiger van Palestijnse afkomst, die tijdens zijn arrestatie drie keer werd beschoten. Op een van de foto’s ligt hij op zijn buik achterin een Toyota pick up, voordat hij naar het ziekenhuis zou worden gebracht.

In het begin was Abu Zubaydah slechts af en toe bij bewustzijn. Dan sprak hij soms in onsamenhangende zinnen. Een CIA-officier vertelde hoe hij een keer een glas rode wijn bestelde, in de volle overtuiging dat hij zich in een restaurant bevond. Het agentschap, dat hem wanhopig in leven probeerde te houden, liet een chirurg uit het John Hopkins Hospital overvliegen voor een consult. Na een aantal dagen werd Abu Zubaydah naar Thailand gebracht, naar de eerste van de ‘black sites’, de faciliteiten waar de CIA de kopstukken van Al-Qaeda zouden gaan verhoren.

Thailand, dat veel ervaring heeft met de oproer van moslimextremisten in het zuiden van het land, werd de eerste keus voor een ‘black site’, omdat de CIA officieren zeer hechte relaties onderhielden met hun Thaise collega’s in Bangkok, aldus een Amerikaanse functionaris. „Ze hebben het nieuws in het begin niet eens aan de minister-president verteld.”

Het was in een Thaise gevangenis, niet ver van Bangkok, dat Martinez begon met het verhoren van Abu Zubaydah, die weigerde Arabisch te spreken met zijn bewakers, maar zich wel kon uitdrukken in redelijk Engels. Hier begon de CIA voor het eerst fysieke druk uit te oefenen om informatie los te krijgen van de gevangenen, onder andere met behulp van de martelmethode ‘waterboarding’. De gebruikte technieken kwamen uit een militair trainingsprogramma dat SERE heette: Survival, Evasion, Resistance and Escape (Overleven, Ontwijken, Verzetten en Ontsnappen). Veel paramilitaire officieren van de CIA hadden dit trainingsprogramma nog gevolgd. Een verkorte versie van SERE werd gegeven in een trainingskamp van de CIA in Virginia, dat ‘The Farm’ werd genoemd, ‘de boerderij’.

Hooggeplaatste functionarissen van de FBI (de Nationale Inlichtingendienst), vonden het gebruik van martelmethoden onnodig en onverstandig. Hun agenten kregen Abu Zubaydah aan het praten zonder gebruik te maken van geweld. Hij informeerde de FBI over de centrale rol van Khalid Sheikh Mohammed in de voorbereidingen van 9/11. Deze oudgedienden voorzagen dat het gebruik van wrede methoden een smet zou werpen op de reputatie van de Verenigde Staten en toekomstige vervolgingen zou bemoeilijken. Veel CIA-functionarissen hadden ook zo hun twijfels en het agentschap maakte daarom veel gebruik van tijdelijke krachten met militaire ervaring.

Sommige CIA-functionarissen twijfelden. Zij geloofden wel in de effectiviteit van de wrede behandeling. John Kiriakou, voormalig CIA-officier in de strijd tegen het terrorisme en een van de eerste verhoorders van Abu Zubaydah, gaf in het openbaar uiting aan zijn tegenstrijdige gevoelens toen hij eind vorig jaar sprak met ABC News en andere media. In een interview zei Kiriakou dat Abu Zubaydah na 35 seconden van de waterbehandeling volledig bereid was om mee te werken met de autoriteiten. „Het was alsof er een knop werd omgedraaid”, zei Kiriakou over de plotselinge overgang tussen verzet en volgzaamheid. Hij vertelde dat hij in 2002 van mening was dat de dreiging van nieuwe aanslagen zulke extreme maatregelen rechtvaardigde. Naderhand was hij tot de conclusie gekomen dat ‘waterboarding’ neerkomt op martelen en dat het daarom nooit toegestaan had mogen worden. „Wij Amerikanen zijn beter dan dat.”

Met de zaak van Abu Zubaydah werd een patroon neergelegd. Als er een nieuwe gevangene arriveerde, openden de ondervragers, zoals Martinez, het verhoor. In ongeveer tweederde van de gevallen bleek het gebruik van martelmethoden niet nodig. Als de ondervragers ervan overtuigd waren dat de gevangene informatie achterhield, werden de paramilitaire officieren erbij gehaald om de druk te vergroten. Die mannen hadden weliswaar een snelcursus gevolgd in de nieuwe technieken, maar waren over het algemeen niet bekend met Al-Qaeda. Bewust van het gladde ijs waarop zij zich in juridisch opzicht bevonden, stonden de hogere officieren van het agentschap erop dat iedere nieuwe stap van tevoren werd aangekondigd in gecodeerde tekstberichten, om vervolgens door hen op dezelfde wijze te worden goedgekeurd. Voor iedere slapeloze nacht, voor het ‘waterboarden’ en zelfs voor een ‘tik op de buik’, moest eerst toestemming worden gegeven. Een arts of medicus stond dag en nacht klaar om bijstand te verlenen. De wrede behandeling stopte zo gauw de gevangene aangaf te willen praten. Dan werd de ondervrager er weer bij gehaald.

Het afnemen van verhoren werd de nieuwe specialiteit van Martinez. Zijn eerste ervaring was met Abu Zubaydah. Daarna volgde Ramzi bin al-Shibh, de man uit Jemen die gepakt werd in september 2002 en die verdacht werd van het bemiddelen tussen de kapers van 9/11 en de leiders van Al Qaeda. Vervolgens ondervroeg hij Rahim al-Nashiri, de Saoedi die werd beschuldigd van het plannen van een bomaanslag en die werd opgepakt in november 2002. Bin al-Shibh verleende al snel zijn medewerking. Maar Nashiri weigerde en onderging de methode van ‘waterboarding’ volgens agenten van de inlichtingendienst. De CIA heeft Martinez en een paar andere analisten toen de kans geboden om zich verder te bekwamen in wat de CIA eufemistisch ‘uitgebreide verhoortechnieken’ noemde.

Martinez bedankte voor de eer, net als enkele andere CIA-officieren. „Hij veroordeelde de harde methoden niet”, zeggen zijn collega’s, „maar hij was er inmiddels achtergekomen dat zijn talenten elders lagen.”

Alle Amerikaanse inlichtingendiensten waren betrokken bij de jacht op Khalid Sheikh Mohammed met inzet van spionerende satellieten en wereldomvattende afluisterapparatuur. Hij werd gepakt dankzij een simpel tekstberichtje, verstuurd door een informant vanuit een badkamer in een huis in Rawalpindi, vlakbij de hoofdstad van Pakistan, Islamabad.

„Ik ben met K.S.M.”, luidde het berichtje volgens een inlichtingenofficier, die betrokken was bij de zoektocht. Het arrestatieteam wachtte een paar uur alvorens het huis binnen te vallen in de nacht van 1 maart 2003, om de connectie met de informant te beschermen, een buitenstaander die op de beloning van 25 miljoen dollar was afgekomen. Deze informant zou later persoonlijk worden bedankt door George J. Tenet, de toenmalige CIA-directeur, op de Amerikaanse ambassade in Abu Dhabi. Later kreeg hij de kans om met zijn beloning en een nieuwe identiteit in de Verenigde Staten een nieuw leven te beginnen.

Binnen enkele dagen na zijn aanhouding werd Mohammed overgebracht naar Afghanistan en daarna naar Polen, waar de belangrijkste van de ‘black sites’ was gesitueerd. De geheime basis in de buurt van het vliegveld Szymany, ongeveer 120 kilometer van Warschau, zou het tweede thuis worden van Martinez gedurende de vele uren die hij daar doorbracht met Mohammed.

De keuze was op Polen gevallen, wegens de afwezigheid van lokale culturele en religieuze banden met Al-Qaeda, wat de kans op een infiltratie of een aanval door sympathisanten zeer klein maakte. Bovendien bleken de Poolse inlichtingenofficieren zeer bereidwillig en behulpzaam te zijn.

In het begin nam Mohammed tegenover de CIA-officieren een uitdagende, arrogante houding aan. Hij zei tegen een hoge officier en voormalig bureauhoofd in Pakistan dat hij alleen bereid was te praten in New York, in het bijzijn van een advocaat. Dit was gebaseerd op de ervaringen van zijn neef en partner in het terrorisme, Ramzi Yousef, na zijn arrestatie in 1995.

Maar de regels waren sindsdien aangepast en de wrede behandelingen begonnen al snel na de uitlevering van Mohammed aan Polen. Volgens verschillende bronnen bleek hij zich heftig te hebben verzet. Hij zong urenlang verzen uit de Koran, gaf nutteloze informatie door of zelfs uitgesproken verzinsels. Verschillende keiharde technieken, inclusief die van het ‘waterboarden’ werden honderden keren toegepast over een periode van twee weken.

De medewerking van de gevangene kwam met horten en stoten. Er bestond een natuurlijke kloof tussen de twee vijanden, de ondervrager en de gevangene. Maar Martinez had een paar overeenkomsten met zijn tegenstander die hij goed kon gebruiken in de jacht op zijn geheimen. Ze waren bijna van dezelfde leeftijd, tegen de veertig. Ze hadden allebei openbare universiteiten bezocht in het zuiden van Amerika (Mohammed had techniek gestudeerd in North Carolina). Ze waren beiden religieus en ze waren ook nog vader.

Volgens een voormalig CIA-officier die was betrokken bij de sessies, leek het alsof Mohammed in emotioneel opzicht niet erg stabiel was. „Soms was hij gewoon aan het babbelen, bijna vriendelijk. Hij hield van discussiëren en kwam op een gegeven moment op het punt dat hij parallellen trok tussen het christendom en de islam. Dan zei hij bijvoorbeeld: ‘Kunnen we dan niet in vrede met elkaar leven’?”

„Op andere momenten”, zei de officier „werd Mohammed depressief en klaagde hij voortdurend over het gebrek aan contact met zijn familie en kon hij tekeergaan over zijn cel en het eten. De algemene klachten van vele gevangenen.

Soms schreef Mohammed brieven aan het Rode Kruis of aan president Bush, met een aantal eisen. Die brieven werden voor analyse doorgestuurd naar de psychologen van de CIA. Verder waren er de poëtische brieven, gericht aan de echtgenote van Martinez. Neergekrabbeld in ongrammaticaal Engels en bedoeld als teken van respect voor zijn ondervrager, volgens een collega die Martinez hierover heeft gesproken.

Naarmate de tijd vorderde, gaf Mohammed steeds meer details over de structuur van Al-Qaeda, de samenzweringen in het verleden en de ambities van de organisatie. Als hij zo nu en dan hij een poging tot misleiden deed, werd zijn informatie meteen geverifieerd bij de andere gevangenen uit Al-Qaeda, die vastzaten in Polen.

De pareltjes van informatie die uiteindelijk aan Mohammed werden ontfutseld, staan allemaal vermeld in de officiële verslagen van de Nationale 9/11 Commissie. In zestig voetnoten wordt een bepaald verhoor van de gevangene genoemd als bron.

De verhoren waaruit door de commissie wordt geciteerd, begonnen precies elf dagen na de arrestatie van Mohammed en eindigden slechts enkele dagen voor het rapport van de commissie werd gepubliceerd in de zomer van 2004. Samen vormen de verhoren een gedetailleerde geschiedenis van het leven van Mohammed en zijn neef Yousef. De eerste schreden op het pad van terrorisme worden daar beschreven. De plannen om verwoestingen aan te richten van Bosnië tot aan de Filippijnen, en ook hun relatie met Osama Bin Laden.

Mohammed heeft ook beweerd een rol te hebben gespeeld in een lange reeks succesvolle en mislukte aanslagen. Advocaten die gespecialiseerd zijn in de mensenrechten zetten vraagtekens bij een aantal van deze claims. Zij suggereren dat deze bekentenissen waardeloos zijn, omdat ze zijn afgelegd onder invloed van diverse martelpraktijken.

Op 5 juni verscheen Mohammed opnieuw in de openbaarheid: in zijn rechtszaak op Guantánamo. Hij presenteerde zich op theatrale wijze, met een lange, grijzende baard. En met de uitdagende overtuiging dat de Amerikaanse Militaire Commissie geen andere keus had dan tegemoetkomen aan zijn wensen: een executie en dan het martelaarschap.

Zijn ondervrager heeft de CIA inmiddels verlaten, zoals zo veel andere officieren. Zijn leven vandaag de dag is bijna saai, vergeleken bij de geheime verhoren van 2002 en 2003. Maar Martinez heeft zich niet helemaal afgekeerd van zijn oude werkkring. Hij werkt nu voor Mitchell & Jessen, een adviesbureau dat wordt geleid door voormalige militaire psychologen, die destijds de CIA adviseerden over het gebruik van de harde verhoormethoden in het geheime programma.

Zijn nieuwe werkgever stuurde hem onmiddellijk terug naar het agentschap. Voorlopig traint hij andere CIA-analisten in de geheimzinnige kunst van het jagen op terroristen.

Copyright 2008 New York Times News Service.Vertaling: Kathelijne Vet.