Netjes Nederlands

In het Nederlands staan nu alle bepalingen vóór het zelfstandig naamwoord. Dat kostte eeuwen. Berthold van Maris

‘Zelfs de hoge inkomens...’ De reeks woorden die hier voorafgaat aan het zelfstandig naamwoord ‘inkomens’ zit prachtig in elkaar, vindt de Vlaamse neerlandicus Freek Van de Velde: alle bepalingen staan netjes vóór de ‘kern’, en wel zo dat iedere bepaling betrekking heeft op alles wat erop volgt. Schematisch weergegeven: zelfs ( de ( hoge ( inkomens ) ) ).

Een héél mooie opbouw, die geleidelijk aan, in de loop der millennia, ontstaan is. Het begon ooit met het adjectief, daarna volgde het lidwoord en in recente tijden het bijwoord.

Van de Velde onderzocht dit historische proces en promoveerde erop, in Leuven. De taal die uiteindelijk het Nederlands is geworden, had een sterke drang om bepalingen vóór de kern te plaatsen, zo concludeert hij.

In het Indo-Europees, de taal waar bijna alle Europese talen – waaronder het Nederlands – uit zijn voortgekomen, was de woordvolgorde veel vrijer. De Indo-Europese oertaal werd ten minste vijfduizend jaar geleden gesproken, vermoedelijk in de buurt van de Zwarte Zee. Taalkundigen hebben deze taal, zo goed en zo kwaad als het ging, gereconstrueerd.

wit

Over de zinsbouw is niet zo heel veel bekend, maar wel is duidelijk dat het Proto-Indo-Europees veel met naamvallen en uitgangen werkte. Bovendien kende deze taal geen onderscheid tussen zelfstandige naamwoorden en adjectieven, zoals ook nu nog in veel talen het geval is. Of een woord ‘wit’ betekende dan wel ‘het wit’, kon men alleen opmaken uit de context. De toenmalige sprekers zeiden niet ‘drie witte schapen’, maar zoiets als: ‘schapen witten drieën’ – drie woorden die dezelfde uitgangen hadden, waardoor je wist dat ze bij elkaar hoorden.

Pas in het Proto-Germaans, de voorloper van de Germaanse talen, ontstond rond het begin van de jaartelling een aparte groep adjectieven, met eigen uitgangen. Die adjectieven werden vervolgens steeds vaker vóór het zelfstandig naamwoord gezet. Maar lang niet altijd. Zelfs in de Middeleeuwen kon men nog zeggen: ‘Hij was een scone man ende groet’ (hij was een mooie, grote man).

In het Oudnederlands (gesproken van 500 tot ongeveer 1150) ontstond de neiging om de voornaamwoorden (die, dat, jouw, mijn) en de lidwoorden (die inmiddels ook ontstaan waren) vóór het adjectief te plaatsen. Dus werd het ‘de witte schapen’ en ‘mijn witte schapen’ in plaats van ‘witte schapen mijn’.

Van die voornaamwoorden had er een aantal eerst als adjectief gefunctioneerd – woorden als ‘zulke’, ‘voornoemd’, etcetera. Deze groep had zich daarna van de adjectieven afgesplitst, precies zoals de adjectieven zich eerder van de zelfstandige naamwoorden hadden afgesplitst. Nog steeds zijn er adjectieven die twijfelen of ze nou wel echt adjectief zijn, dan wel voornaamwoord. In de zin ‘Ik hoop dat de minister, met wie ik reeds eerder in ander verband van gedachten heb gewisseld...’ is ‘ander’ door het ontbreken van ‘een’ opeens een soort voornaamwoord geworden.

zelfs

In het moderne Nederlands (van de laatste paar eeuwen) werd de reeks bepalingen vóór het zelfstandig naamwoord ten slotte gecomplementeerd met een bijwoord: zelfs de hoge inkomens’. Het gaat om bijwoorden als ‘zelfs’, ‘ook’, ‘maar’, ‘alleen maar’, maar ook woorden als ‘misschien’, ‘wellicht’, ‘mogelijk’, die gewoonlijk elders in de zin staan, maar die steeds vaker ook vóór het zelfstandig naamwoord opduiken. Het wordt steeds gewoner om, bijvoorbeeld, te zeggen: “Daarbij werd gedreigd met vermoedelijk een vuurwapen.”

vlekje

Van de Velde: “In het Nederlands willen bepalingen het liefst vóór de kern staan. Dat zie je ook op andere plaatsen in de zin. Je zegt ‘koekjes eten’ en niet ‘eten koekjes’. Je zegt ‘heel erg’ en niet ‘erg heel’. En als je zegt ‘een vlekje rood’, is dat iets anders dan ‘een rood vlekje’. Elders in de wereld zijn er volop talen te vinden die het precies andersom doen: alle bepalingen achter de kern. Ook zijn er talen die daartussenin zitten: soms voor, soms achter. Als een bepaling in het Nederlands, bij wijze van uitzondering, toch achter de kern staat, zie je dat de taal zich in allerlei bochten wringt om dat te herstellen. ‘Iets interessants’ wordt dan: ‘een interessant iets’.”

In de literatuur zijn tal van suggesties gedaan om dit soort hele-lange-termijn-ontwikkelingen te verklaren, vertelt Van de Velde. “Wat ik zeer aannemelijk vind: vroeger, in het Proto-Indo-Europees en ook in het Proto-Germaans, had je veel naamvallen en uitgangen. Daardoor was duidelijk wat bij wat hoorde. Goed, die naamvallen vielen geleidelijk aan weg, vermoedelijk door fonetische oorzaken, klemtoonverschuivingen waardoor het woordeinde onbeklemtoond raakte. Dan heb je andere manieren nodig om aan te geven: wat hoort bij wat? Dus dan ga je dat strakker groeperen.”

Een andere – aanvullende – verklaring is: uitgebreide woordgroepen met een zelfstandig naamwoord als kern zijn kenmerkend voor geschreven taal. “Ik vind dat ook wel een aannemelijke gedachte”, zegt Van de Velde. “Hoe meer dingen waar je taal voor gebruikt – onderwijs, rechtspraak – hoe uitgebreider de structuren.”