Man/vrouw

De drang om van geslacht te veranderen is niet psychotisch, maar aangeboren.

Transseksuelen hebben de overtuiging geboren te zijn in het lichaam van het andere geslacht en hebben er alles voor over om van geslacht te veranderen. Dit gebeurt stapsgewijs door eerst in de sociale rol van het andere geslacht te gaan leven en hormonen te krijgen en vervolgens een serie ingrijpende operaties te ondergaan waarvan toch maar 0,4 procent later spijt heeft. Het genderteam van het VU Medisch Centrum (VUmc) speelt hierbij al vele jaren een voortrekkersrol, eerst onder leiding van de pionier professor Louis Gooren en nu van professor Peggy Cohen-Kettenis. Dit is bijzonder, omdat de Bijbel, waarop het VUmc zich baseert, in Deuteronomium 22:5-6 stelt: ‘Een vrouw zal geen manskleren dragen en een man geen vrouwenkleed aantrekken, want ieder die deze dingen doet, is de Here, uw God, een gruwel’.

Man-naar-vrouw (MnV) transseksualiteit komt voor bij 1 op de 10.000 mensen, en vrouw-naar-man (VnM) transseksualiteit bij 1 op de 30.000. Genderproblemen komen vaak vroeg in de ontwikkeling al tot uiting. Moeders vertellen dat vanaf het moment dat hun zoontje kon praten, hij zijn moeders kleding en schoenen aantrok, hij uitsluitend geïnteresseerd was in meisjesspeelgoed en voornamelijk met meisjes speelde. Maar niet alle kinderen met genderproblemen willen later van geslacht veranderen. Zo nodig wordt de puberteit nog wat uitgesteld met behulp van een hormonale remmer om wat extra tijd te winnen voor de beslissing al dan niet het behandeltraject in te gaan.

Alle gegevens wijzen erop dat genderproblemen al in de baarmoeder ontstaan. Er zijn kleine veranderingen gevonden in genen die betrokken zijn bij de werking van hormonen op de hersenontwikkeling, die de kans op transseksualiteit vergroten. Ook abnormale hormoonspiegels van het kind in de baarmoeder en geneesmiddelen die de moeder tijdens de zwangerschap neemt en die de afbraak van geslachtshormonen verstoren, kunnen de kans op transseksualiteit vergroten. De seksuele differentiatie van onze geslachtsorganen vindt plaats in de eerste maanden van de zwangerschap en de seksuele differentiatie van de hersenen in de tweede helft van de zwangerschap. Daar deze twee processen in een andere periode plaatsvinden, is de theorie dat bij transseksualiteit deze processen onafhankelijk van elkaar beïnvloed zijn. Als dat zo is dan zou men bij MnV transseksuelen vrouwelijke structuren in mannelijke hersenen verwachten en bij VnM transseksuelen het omgekeerde. In 1995 hebben wij inderdaad zo’n omkering van het geslachtsverschil gepubliceerd in Nature. Dit betrof de Bed Nucleus van de Stria Terminalis (BSTc), een hersenstructuurtje dat betrokken is bij het seksuele gedrag. De BSTc is bij mannen 2 maal zo groot en bevat 2 maal zoveel neuronen als bij vrouwen. Bij MnV transseksuelen vonden we een vrouwelijke BSTc. De ene VnM transseksueel die we konden bestuderen had inderdaad een mannelijke BSTc. Wij konden uitsluiten dat de omkering van het geslachtsverschil bij transseksuelen veroorzaakt werd door veranderde hormoonspiegels in de volwassenheid. De omkering moet dus tijdens de ontwikkeling zijn ontstaan. Als je eens iets echt interessants publiceert, is het aardigste dat je meeste collega’s zeggen: ‘Dit moet eerst nog maar eens door een onafhankelijke groep bevestigd worden’. Dat kan wel even duren, want het heeft mij 20 jaar gekost om dat hersenmateriaal te verzamelen. Daarom was ik heel blij dat de groep van Ivanka Savic in Stockholm vorig jaar een studie met functionele hersenscanning bij levende MnV transseksuelen publiceerde. Zij waren nog niet geopereerd en hadden nog geen hormonen gekregen. Ze gaf als stimulus manlijke en vrouwelijke feromonen, reukstoffen die je niet bewust ruikt. Deze veroorzaakten verschillende stimulatiepatronen in de hypothalamus en andere hersengebieden bij controlemannen en -vrouwen. Het stimulatiepatroon bij MnV transseksuelen lag tussen dat van mannen en vrouwen in. Vorig jaar kwam Ramachandran met een interessante hypothese en voorlopige resultaten over transseksualiteit. Zijn idee is dat bij MnV transseksuelen de representatie van de penis op de hersenschors zou ontbreken en bij VnM transseksuelen het gebied voor de borsten tijdens de ontwikkeling niet op de hersenschors aangelegd zou zijn, en dat ze daarom die organen niet als ‘eigen’ herkenden en kwijt wilden. Alles wijst er dus op dat tijdens de vroege ontwikkeling de seksuele differentiatie van de hersenen bij transseksuelen atypisch is verlopen, en niet dat ze ‘simpelweg’ psychotisch zijn, zoals een Limburgse psychiater nog recentelijk durfde te beweren.

Dick Swaab

De auteur is hoogleraar in de neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is verbonden aan het Nederlands instituut voor Neurowetenschappen. Reacties en vragen kunt u sturen naar zbrieven@nrc.nl