‘Ik schrap en ik gum’

Een zomerweek van schrijver Mensje van Keulen (1946). Louis ligt op schoot en ze koelt de champagne.

Donderdag 10 juli

Daar zat ik bij Emile Brugman, mijn uitgever, aan zijn bureau en speelde met de gedachte het uit te spreken: „Ik denk dat ik volgende week een verhalenbundel kan inleveren.” Maar ik wist me in te houden.

Al zijn de verhalen zo goed als afgerond, gaat het om een enkele zin of woord, ik weet dat die laatste verbeteringen me nog uren kunnen kosten. Bovendien zwijg ik liever over waar ik aan werk, laat tussentijds niemand iets lezen, vertel nooit iets over de inhoud, en lever het manuscript pas in als het klaar is.

Ik zat er trouwens om mijn bijdrage aan een ander boek, dat in september verschijnt, een ‘Oerboek’. Bij een enkeling roept het een associatie op met kruiden zoeken bij maanlicht en dansen bij een panfluit, maar als ik zeg dat het uitgaat van een ‘oermanuscript’ of, zoals Sander Bax het in zijn doorwrochte artikel in het boek noemt: ‘De kiem van een oeuvre’, is het wel duidelijk.

Enige weken geleden had ik me samen met wetenschapper Peter de Bruijn en een loep gebogen over de twee vaalgroene schriftjes uit 1968, met in elk een niet eerder gepubliceerd verhaal, om her en der een woord te ontcijferen – Staat hier tachtig of lastig? Schuivende of schurende? En is dit nu een komma, een punt of een veegje inkt?

Het was heel wat overzichtelijker geweest dan die bijdrage te schrijven over hoe het is om terug te blikken op dit vroege werk. Wat moest ik met de gemengde gevoelens die ik had om die prille probeersels? Wat kon je sowieso over eigen werk zeggen? Hoe lastig was het niet om uit te leggen wat fictie schrijven is?

Veel hoefde er goddank niet aan veranderd. Een paar regels eruit, een paar witregels erin. Binnengekomen werd vervangen door ingezonden, en ongelukkige door penibele.

(Weer het verkeerde lot gekocht en zodoende de jackpot van 25 miljoen misgelopen, ik zal dus door moeten blijven werken.)

Vrijdag

Morren of mokken? De hoofdpersoon in het verhaal doet dit mokken/morren ook nog eens ‘in stilte’. Morren staat voor iets wat onverstaanbaar is, er is dus geluid. Mokken geschiedt in stilte. Maar het ‘in stilte’ schrappen doet af aan het ritme van de zin. En zo tuur ik op het scherm, schrap met potlood in de uitgeprinte versie, gum het weer weg, spreek de regel ook maar eens een keer hardop uit, kies voor het een en dan weer voor het ander, en als ik besluit dat ik het bij de laatste keus moet laten begint het twijfelen opnieuw. Ondertussen ligt Bosi, de oudste van mijn twee katten, voor het toetsenbord, zodat ik met hoge armen tik, en ligt Louis op schoot. Wat is heerlijker dan een kat op schoot, en helemaal een kat die alles goedvindt? De warmte, het spinnen, het kopje dat zich naar me omdraait, het altijd lachende gezichtje met de heldere, licht toegeknepen ogen, de oortjes waar ik achter mag kroelen, de snorharen waar ik langs mag strijken, de kussentjes van zijn voetjes waar ik op mag duwen, de fluwelen aanraking over de volle lengte van dat gespierde en tegelijkertijd ontspannen lijfje. Helaas is Louis zwakker dan hij eruitziet. Het afgelopen weekend vreesde ik dat een verstikkende verkoudheid hem de das om zou doen, maar na een tweede shot antibioticum eet hij weer en keert zijn blijmoedigheid snel terug. Zijn vierde, vijfde, zesde leven? Verbazingwekkend wat een luid gesnurk uit dat fijne neusje kan klinken.

Zaterdag

„Dag Hennie.”

„Dag Mennie.” Ik hoor het mijn nichtje zo weer zeggen.

Met haar man, die haar iedere week amarylissen brengt, stond ik vanmorgen aan haar graf op een kerkhof dat Rustoord heet en die naam ook verdient. Een meter of tien verderop rust de 17-jarige Jan Beckering, die zich in 1877 in de Spaarne verdronk. Zijn dood inspireerde zijn vriend Willem Kloos tot het schrijven van Duitse verzen. Er scharrelden kippen rond, wat de grijze, ingetogen stilte bepaald iets levendigs gaf.

Ik was opgelucht toen mijn zoon belde van het Franse platteland, waar hij met de oude Volvo van zijn vader naartoe was gereisd om het huwelijksfeest van een vriend te vieren.

Ik vertelde hem dat ik van de week Into the wild had gezien.

„Schijnt goed te zijn”, zei hij.

„Maar een nachtmerrie voor ouders. Een jongen die op reis gaat en vervolgens niets meer van zich laat horen.”

„Ja, Sean Penn maakt inderdaad héle goeie films.”

Wat de zes verhalen gemeen hebben is dat ze in lengte ongeveer gelijk zijn en zich binnen een etmaal afspelen. Het schrijven ervan leek vaak op een grote hond die de ene keer niet mee wilde aan de lijn en mij de andere keer zowat omver wierp. Ik heb me afgevraagd of ik een zevende verhaal moest schrijven, maar zie niets, helemaal niets voor me.

Zondag

Vanmiddag, rijdend door de stad, op weg naar een adres in Oost, viel me het ongewone straatbeeld op. Groepjes mensen, dicht opeen. Alsof er oploopjes waren, waar de politie of de ambulance net vertrokken was en nagepraat werd over het voorval. Maar nee, het waren de rokers, die voor cafés en coffeeshops stonden. Ik realiseerde me dat ook aan het flirten binnen de beschutting van een schemerig café een eind was gekomen. Ze stonden nu te kijk, de mannen onhandig, de vrouwen genadeloos overgeleverd aan het daglicht.

Een slingerend bloedspoor of een slingerend spoor van bloeddruppels? Of nee, het minder heftige spatjes? Laat ik de vrouw in het verhaal de riem van haar tas beetpakken of vastpakken? Zal ik bij het vorige verhaal nu Een in de titel laten staan, of zal ik dit lidwoord toch weglaten? En zal ik het voor de bundel bij de werktitel houden?

Maandag

Misschien is het omdat ik in Den Haag geboren en getogen ben dat een gevoel van benauwdheid toeneemt naarmate ik verder van de kust verwijderd raak. Hoe dan ook, de zilte lucht, het geluid van de branding, de horizon, schepen, vogels, en ook de Hoogovens die elke keer weer het kinderlijke idee van een wolkenfabriek oproepen: het was een genot de pier bij Wijk aan Zee af te lopen.

Ik negeerde de vissers. Mijn leven lang heb ik niet begrepen wat er aan is om met een haak een lip of een kaak open te scheuren en het dier erna doodleuk terug in het water te gooien om te creperen.

Ik pakte de riem van mijn tas. Vast. Beet. Goed beschouwd pakte ik de riem niet, maar greep hem. Mijn vriend zag me dit een paar keer doen, maar zei niets.

Dinsdag

Niet zo lang geleden werd me bij een receptie toegevoegd: „Ben je aan het werk? Wel een roman en geen verhalen, hè, want romans verkopen beter.” Het zal me een zorg zijn. Ik moet er niet aan denken een verhaal uit te laten dijen omwille van dit verschijnsel. Een verhaal is een verhaal en als het lukt is de bondigheid die ‘boekdelen spreekt’ juist de charme ervan.

02.47 uur Vastbinden verbeterd in bondage, en Sammie definitief vervangen door Bennie.

Woensdag

Was Emile al in het pand?

De meisjes van de PR wisten het niet. Behulpzaam staken ze de cd in een computer en binnen 5 minuten lag twee jaar werk in een keurig stapeltje uitgeprint.

Met het manuscript in een onbeduidend plastic tasje ging ik naar de bovenste verdieping.

Hij was er nog niet.

„Maar hij komt zo”, klonk het geruststellend.

Ik kreeg dropjes, een kop koffie, bladerde in ‘Verbeelde Gedichten’ van Baudelaire, waarin de ene tekening nog onheilspellender was dan de andere.

Op het geluid van de lift zei iemand: „Daar zal hij zijn.”

Ik drukte mijn uitgever het manuscript in handen en begon over een vogel die ik vanmorgen in de tuin aan een zomervetbol had zien hangen. Ik had hem aangezien voor een Vlaamse gaai, alleen, wat een vreemd exemplaar, hij had toch geen bloedend kopje? Ik ratelde door over de specht die het bleek te zijn en hoewel Emile zichtbaar overrompeld was, deden we allebei of dat manuscript er helemaal niet was, maar waren zeer vrolijk.

Donderdag 17 juli

Texel.

Onlangs zijn op dit mooie eiland 6.000 ganzen vergast. Zoiets heet ‘Schadebestrijding’. Nu, ik weet nog wel een soort waar er te veel van zijn en die de ganse aardbol continu schade berokkent.

Van schapen zien grazen word ik ook al niet meer gelukkig, omdat ik dan denk aan de transporten naar de slachthuizen waar ze vaak omwille van een religie, die een wrede god moet hebben, onverdoofd de keel wordt doorgesneden.

Ik was vandaag dus op Texel voor een interview. Zoiets zou ik niet gedaan hebben als het niet om de ezels van Theun de Winter ging. Ik was er om te vertellen waarom ik ezels zo bijzonder vind en met een van hen, Oscar, op de foto te gaan. De interviewster, de fotografe, haar even vriendelijke hondje Splinter, Theun, en zijn prachtige dieren met hun donzen oren en aandoenlijke onderlip, wisten me aardig af te leiden.

Ik kon me maar beter niet voorstellen dat Emile de verhalen al gelezen had. Misschien dat hij er in het weekend kans toe zag. Altijd weer die onzekerheid, alsof ik elke keer opnieuw debuteerde. Goed dat ik de hele dag van huis was geweest. Zo sprak ik mezelf toe om, eenmaal thuis, met een zucht te constateren dat hij niet het antwoordapparaat had ingesproken.

20.40 uur. Emile heeft gebeld. Om zijn reactie ben ik op lichte voeten naar de kelder gegaan.

De champagne zal snel koel genoeg zijn.

Er moet nog bekeken worden of de bundel al dit najaar of begin volgend jaar zal verschijnen, maar de titel is en blijft… Een goed verhaal.