Hoe oliedollars dreigen te worden verspild

Door de hoge olieprijzen stromen de oliedollars het Midden-Oosten in. Die nieuwe rijkdom brengt niet louter zegeningen. Sociale en economische problemen worden nauwelijks aangepakt, meent Kenneth M. Pollack.

Zó veel geld, 140 dollar, voor een vat olie. Dat moet in elk geval goed zijn voor één deel van de wereld: het Midden-Oosten. Op zich geen rare gedachte. Alleen, het zou weleens kunnen dat juist het Midden-Oosten er het meeste onder lijdt.

Hoe pijnlijk de huidige (of komende) recessie ten gevolge van de olie voor de Amerikanen ook mag zijn, het ziet er niet naar uit dat ze ons tot de offers beweegt die nodig zijn om onze afhankelijkheid van olie te verminderen. Op lange termijn zou dit een zegen zijn voor onze economie, ons milieu en onze nationale veiligheid.

In het Midden-Oosten is de situatie omgekeerd. Daar bloeit de economie, wat kansen biedt om iets te doen aan de diepgewortelde politieke, economische en sociale problemen.

Echter, het gevaar bestaat dat de besteding van de stijgende inkomsten de instabiliteit in het gebied op den duur vermoedelijk juist zal verergeren. En dat is een probleem, want problemen in het Midden-Oosten hebben de slechte gewoonte grote problemen voor de rest van de wereld te worden.

In de jaren zeventig en tachtig, tijdens de eerste grote oliehausse, hebben de producenten in het Midden-Oosten hun rijkdom grotelijks over de balk gegooid. Wel werden her en der grootschalige sociale voorzieningen ingevoerd, waardoor de gezondheidszorg verbeterde (een belangrijke reden van de explosieve bevolkingsgroei in de afgelopen 30 jaar). Maar over het algemeen stuurden ze het geld naar het buitenland, waar ze het in onroerend goed staken en op Zwitserse bankrekeningen zetten. Dit droeg niets bij aan de ontwikkeling (laat staan een diversificatie) van hun economieën en toen in de jaren negentig de conjunctuur omsloeg, schoten de economische problemen als paddestoelen uit de grond. Met als gevolg politieke onvrede, terrorisme en opstandigheid.

Ditmaal probeert een aantal olieproducenten in het Midden-Oosten slimmer te zijn. Ze investeren miljarden dollars in eigen land: in de opbouw van bedrijfstakken, het herstel van wegen en fabrieken, en uitbreiding van de sociale voorzieningen. Dit is voor de regionale elites en velen in de internationale financiële gemeenschap reden geweest om een nieuw tijdperk in het Midden-Oosten af te kondigen – een tijdperk waarin de nieuwe olie-inkomsten tot diversificatie van de economieën en werk voor iedereen zullen leiden, en de regio tot ’s werelds economische grootmacht zullen maken.

Als dit onwaarschijnlijk klinkt, komt dat omdat het dit ook ís. Er wordt meer oliegeld in het gebied geherinvesteerd, maar dit wordt niet besteed waar het het hardst nodig is. Daardoor heeft het weinig invloed op de wezenlijke vraagstukken en leidt het zelfs tot problemen. Macro-economisch lijkt alles vaak geweldig: het bruto nationaal product, de handel en de directe buitenlandse investeringen groeien aanzienlijk. Maar de werkloosheid en het banentekort zijn nauwelijks gedaald en de inflatie loopt snel op. Problemen op micro-economisch niveau weerspreken het rooskleurige beeld dat door de oppervlakkige macro-indicatoren wordt geschilderd.

Bovendien wordt het geld vaak geherinvesteerd in projecten die bestemd zijn om beleggers snel gewin op te leveren (onroerend goed, olieraffinage) en níet om politieke en economische voordelen op lange termijn te brengen.

De fabrieken die van de nieuwe olie-inkomsten worden gebouwd zijn vaak sterk geautomatiseerde bedrijven die weinig mensen werk bieden.

De bedrijfstakken die veel nieuwe banen scheppen, zoals het toerisme, de landbouw en de bouw, importeren arbeidskrachten uit Zuid- en Zuidoost-Azië in plaats van eigen mensen aan te stellen. Olie-inkomsten worden wel gebruikt om het onderwijs te verruimen, maar op een enkele uitzondering na níet om het te hervormen. Daardoor worden er meer leerlingen opgeleid – met des te meer hoop op een beter leven – die na school tot de ontdekking komen dat ze de vaardigheden missen om het werk te krijgen waarop ze met hun scholing aanspraak menen te maken. Over het hele Midden-Oosten bedraagt de gemiddelde jeugdwerkloosheid minstens 25 procent, bijna het dubbele van het wereldgemiddelde.

De stijging van de energieprijzen en de overvloedige olie-inkomsten hebben de inflatie opgejaagd. In Qatar bedraagt die op het ogenblik 14 procent, terwijl dit in de periode 2002-04 nog 2,6 procent was. Zoals altijd treft de inflatie de midden- en lagere klassen het hardst en in veel Arabische landen maakt ze de middenklasse kapot en komt die aan de onderkant van de samenleving terecht.De stijging van de wereldvoedselprijzen heeft ook het Midden-Oosten hard getroffen. Broodrellen hebben tot grote beroering geleid in Egypte en Jemen (geen belangrijke olieproducenten, maar wel twee van de dichtstbevolkte landen in de Arabische wereld en raderen in de regionale economie).

Om de gevolgen van de inflatie te bestrijden, hebben Saoedi-Arabië, Qatar, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten de overheidssalarissen met 15 tot 70 procent verhoogd.

Op korte termijn zal dit de ambtenaren misschien helpen, maar het bevordert ook weer de inflatie en doet niets aan de structurele economische problemen.

De gastarbeiders waarop de Arabische landen steeds meer steunen – omdat ze meestal goedkoper en productiever zijn dan hun eigen burgers – vertonen gaandeweg ook tekenen van onvrede met hun armzalige behandeling.

In de kleine Golfstaten bestaat 80 tot 95 procent van de arbeidskrachten in de privésector uit gastarbeiders, die in Bahrein en de Verenigde Arabische Emiraten de afgelopen maanden in staking zijn gegaan uit protest tegen de inflatie, want die holt hun inkomsten uit. Omdat de bevolking van het Arabisch Schiereiland voor zo’n 40 procent uit vreemdelingen bestaat, is dergelijke arbeidsonrust onheilspellend.

Intussen zijn de rijken in het Midden-Oosten stuitend rijk geworden doordat ze kans zien mee te delen in de oliemeevallers, legaal én illegaal. De rijksten meten hun rijkdom in miljarden, terwijl de armsten zo arm zijn dat een groeiend aantal zich niet eens kan veroorloven te trouwen.

Binnenstromend geld dat niet naar beneden doorsijpelt leidt meestal tot gevaarlijk scheve sociale verhoudingen. Mensen hopen dat hun eigen economische problemen door de oliemeevallers van hun land zullen verminderen, maar zien dat enorme bedragen aan de strijkstok blijven hangen, worden weggesluisd naar buitenlandse privérekeningen, worden besteed aan luxegoederen, legermaterieel of onzinnige prestigeprojecten – of gewoon worden verkwist.

Enkele leiders in het gebied lijken oog te krijgen voor de nadelige gevolgen van scheve sociale verhoudingen. Koning Abdullah van Saoedi-Arabië bijvoorbeeld ziet scherp wat op de lange termijn voor zijn land het beste is. Hij heeft geld in zogeheten economische steden gestoken die als ‘centra van excellentie’ dienen, om daarmee het soort zinvolle investeringen aan te trekken dat op den duur de Saoedische arbeidskrachten uit hun gevaarlijke lethargie zou kunnen verheffen. Hij vestigt de Koning Abdullah-universiteit en haalt professoren van over de hele wereld om een leerplan te ontwikkelen waarin de nadruk ligt op wetenschap, techniek en innovatie.

Maar zelfs dit heeft een donker randje: Abdullah is 83 en het valt te betwijfelen of zijn opvolgers zulke projecten met dezelfde vooruitstrevende beslistheid zullen voortzetten.

Hoe kan het Midden-Oosten voor een ommekeer zorgen?

Om te beginnen moeten de beheerders van de koninklijke rijkdommen en privébeleggingen hun financiering van kapitaalintensieve bedrijfstakken die een hoog rendement voor de belegger waarborgen, verruilen voor de financiering van arbeidsintensieve bedrijfstakken die tot meer werkgelegenheid de ontwikkeling van bekwamere arbeidskrachten zouden kunnen leiden.

Regionale investeringen moeten gezien worden als een vorm van bewuste herverdeling van rijkdom, maatschappelijke solidariteit en naastenliefde.

Dit zal op korte termijn zeker kosten met zich meebrengen, maar als de mensen die de geldkraan beheren zo verstandig zijn om het te doen, moet dit de komende jaren onschatbare politieke winst opleveren – politieke winst die waarschijnlijk nodig zal zijn om te voorkomen dat zij door boze menigten uit de macht worden ontzet.

Als zulke binnenlandse omwentelingen worden vermeden en de woede en wanhoop waarop de terroristen en extremisten azen grotendeels worden weggenomen, is dit een zegen voor een wereld die nog wel tientallen jaren verslaafd zou kunnen blijven aan de olie uit het Midden-Oosten – en dus kwetsbaar zal blijven voor de wisselvalligheden in dat gebied.

Kenneth M. Pollack is verbonden aan het Brookings-instituut in Washington. Binnenkort verschijnt van hem A Path Out of the Desert: A Grand Strategy for America in the Middle East.

© International Herald Tribune