Het gymnasium is wit

Etnische segregatie in het voortgezet onderwijs is „verwoestend”. Het kabinet laat het probleem over aan de lokale overheid, maar die weet ook geen oplossing. „Als je Mohammed zijn gang laat gaan, zoekt hij Ali op.”

De discussie in de klas gaat over de omgang met seksualiteit in landen als Marokko en Turkije. Babette heeft in de krant gelezen dat ze dit soort zaken daar „heel open” bespreken. Op licht provocerende toon zegt ze dat Marokkanen en Turken in Nederland daar „nog wat van kunnen leren”. Haar klasgenoot Osama slaat met een zucht zijn ogen neer. „Ze neemt de stelling niet serieus”, fluistert hij.

Babette en Osama zitten in 3 havo op het Libanon Lyceum in Rotterdam. Hun klas is een ‘Wereldklas’, opgericht om meer witte kinderen de overwegend zwarte school binnen te krijgen. Met succes. Osama (Pakistaans) is een van de weinige allochtonen in deze klas.

Het geheim is het onderwijsconcept. De bankjes staan niet twee aan twee, maar in groepjes. De leerlingen werken veel samen. Er zijn projecten, excursies. Precies wat witte kinderen en hun ouders aantrekt.

Het gevolg is dat op het Libanon jaarlijks vier van de acht brugklassen een Wereldklas zijn. In deze klassen is de leerlingenpopulatie gemiddeld 70 procent autochtoon en 30 procent allochtoon. In de andere klassen zijn de percentages omgekeerd. De school is dus gemengder geworden. Er zijn witte enclaves binnen de muren gehaald.

Rotterdam kent van de vier grote steden de grootste etnische segregatie op middelbare scholen. Onderzoekster Marijke Hartgers van het Centraal Bureau voor de Statistiek becijferde vorig jaar dat de gemiddelde allochtone leerling in Rotterdam op school zit met drie keer zo veel allochtone als autochtone leerlingen. Vmbo’s in de binnenstad zijn zwart. Scholen in buitenwijken en randgemeenten zijn overwegend wit.

De segregatie in het voortgezet onderwijs is zo „verwoestend” dat staatssecretaris Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) „slapeloze nachten” zou moeten hebben, zegt onderwijskundige Zeki Arslan van Forum, instituut voor multiculturele ontwikkeling. Arslan is gevraagd door de regering als ‘ambassadeur’ tegen onderwijssegregatie. „Er ontstaan mono-etnische scholen. Diverse culturen ontwikkelen zich langs elkaar heen. Segregatie in het onderwijs is funest voor integratie van diverse bevolkingsgroepen in de samenleving.”

En dat is nog niet alles. Segregatie raakt ook de onderwijskwaliteit, zegt Arslan. „Het is niet goed als er alleen kansarme kinderen op een school zitten. Leerlingen uit een kansrijk milieu hebben een stimulerende invloed op de prestaties van kansarme kinderen. Gemengde scholen zijn nodig ter mobilisering van het talent van kansarme leerlingen.” Hij is voorstander van gedwongen spreiding.

Etnische segregatie staat al jaren op de politieke agenda, maar dan vooral als het gaat om het basisonderwijs. Staatssecretaris Dijksma (Onderwijs, PvdA) is in zeven gemeenten experimenten begonnen om basisscholen gemengd te krijgen, ondersteund door het Kenniscentrum Gemengde Scholen.

Het voortgezet onderwijs is nog weerbarstiger, zeggen betrokkenen. Geografie speelt minder een rol dan in het basisonderwijs. Het probleem is vooral dat middelbare scholen, anders dan basisscholen, zijn verdeeld in een aantal niveaus. Allochtonen zijn oververtegenwoordigd in de lagere sociale groepen. Hierdoor zijn vmbo’s zwart en gymnasia wit. En hoe meer een school in de periferie ligt, hoe witter.

Het Libanon Lyceum, in 1909 begonnen als hbs, heeft de afgelopen decennia gemerkt wat segregatie is. Het is nu een school voor mavo, havo en vwo in de chique wijk Kralingen in Rotterdam. Leerlingen komen, behalve uit Kralingen, vaak uit het naburige, armere Crooswijk.

Vanaf de jaren zeventig kwamen er steeds meer allochtonen wonen in Crooswijk, wat te merken was aan de populatie op het Libanon. Al snel was een kwart van de leerlingen allochtoon. Dat was prima, zegt rector Scharff. De school weerspiegelde de Rotterdamse bevolking en zowel allochtone als autochtone ouders konden leven met deze samenstelling. Maar het aandeel allochtone leerlingen groeide door. Op een gegeven moment bereik je een omslagpunt, aldus Scharff. „Hoe meer zwarte leerlingen, hoe eerder witte ouders geneigd zijn hun kinderen naar een andere school te sturen. En wat doe je dan? Je kunt ervoor kiezen om het zo te laten. Maar krijg je dan je vwo-klassen nog vol?”

Scharff stak zijn licht op bij het basisonderwijs. Daar bestaat een specifieke categorie witte scholen: de Dalton-, Montessori- en Jenaplanscholen. Dit zijn onderwijsvormen die bijvoorbeeld stimuleren tot samenwerking van leerlingen, of tot zelfstandigheid. Kinderen van deze scholen gaan vaak naar een middelbare school met een soortgelijke onderwijsvisie – ook wit. Het Libanon kwam niet of nauwelijks meer in aanmerking voor deze leerlingen en hun ouders. Hoe zou het Libanon aantrekkelijk kunnen worden voor deze kinderen? Het antwoord was: de Wereldklassen, die wat betreft didactiek aansluiten op Dalton-, Montessori- en Jenaplanscholen. In 2004 begon de eerste Wereldklas – één wit klasje op een overwegend zwarte school.

Nu is de onderbouw op het Libanon weer gemengd. De bovenbouw is nog overwegend zwart, zegt Scharff, maar dat is een kwestie van tijd: de witte kinderen worden ouder. Ook merkt Scharff dat de Wereldklassen inmiddels populairder worden bij allochtone ouders.

Het Libanon is een succesverhaal. So far, so good. Maar is de oplossing op deze school structureel?

Is het, vraagt Scharff zich af, genoeg als kinderen van uiteenlopende komaf samen onderwijs volgen? „Ook leerlingen doen aan wij-zij-denken. Ze vormen groepjes. Marietje is wel aan Mohammed gewend. Maar als je hem zijn gang laat gaan, zoekt hij Ali op. Etniciteit vind je terug in de pauze.”

Ook de hernieuwde gemengdheid van de onderbouw verdient een kanttekening. Bínnen klassen is de etnische diversiteit nog niet zo groot. Reguliere klassen zijn nog steeds zwart. In de Wereldklassen mixt het al beter, maar ze blijven overwegend wit.

Derde relativering van het succes: stel dat elke school in Rotterdam klasjes instelt om witte leerlingen te trekken? Scharff erkent dat de effectiviteit van die klasjes dan danig zou afnemen.

En dan is er nog het in stand houden van het succes. Het gemengd houden van de school kost „veel inspanning”, zegt Scharff. „Zo gauw één cultuur dominant wordt, gaat de andere weg.”

De vijftienjarige Dilliana, klasgenoot van Osama op het Libanon Lyceum, belichaamt de segregatieproblematiek. Ze is wit, Kralings. Woont „op drie minuten fietsen” van haar middelbare school. Maar haar basisschool was in Capelle aan den IJssel. Haar moeder bracht haar met de auto.

In de eerste klas op het Libanon zat Dilliana met „maar twee andere Nederlandse” kinderen in de klas. Ze had het niet naar haar zin. Ze zag andere kinderen in de Wereldklassen zitten. Dat wilde ze ook wel. Nu gaat het goed, zegt Dilliana. Als voorbeeld noemt ze de manier waarop de Wereldklas vreemde talen leert. „Je wordt bijvoorbeeld eerst een paar maanden ondergedompeld in het Duits, daarna weer in het Frans. Zo gaan de talen niet door elkaar lopen.”

Osama voelt zich juist een beetje eenzaam in de klas, zegt hij. Hij heeft op een „grijze” basisschool gezeten, op Zuid. Dat vond hij prettig. „En mijn ouders wilden dat ook graag.” Osama is derdegeneratieallochtoon. Zijn moeder, ook in Nederland geboren, is meester in de rechten. Daar is Osama trots op.

Ook voor een grote meerderheid van de Tweede Kamer is de gemengde school het ideaal, zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs. Maar staatssecretaris Van Bijsterveldt worstelt met de problematiek. Vorige maand schreef ze er een brief over aan de Tweede Kamer. Daarin staan maatregelen tegen achterstanden en voortijdige schooluitval, en ten gunste van doorstroom, burgerschap en leraren. Niets wat direct de segregatie bestrijdt.

Dat is vooral een taak van de lokale overheid, vindt de bewindsvrouw. Die weet het echter ook niet. De scheiding tussen zwart en wit in het voortgezet onderwijs is een „gegeven”, zeiden de onderwijswethouders van de vier grote steden dit voorjaar in Trouw.

De werkelijkheid van Rotterdam, zegt wethouder Geluk (onderwijs, CDA) desgevraagd, is dat „70 procent van de scholieren allochtoon” is. „De fase van streven naar fiftyfifty zijn we voorbij. Alleen gemengde scholen lukt niet.” Het Rotterdamse college van B en W richt om die reden zijn aandacht niet meer op het bestrijden van segregatie, maar op „kwaliteit”. Geluk: „Om alle scholen gemengd te krijgen, zou je witte kinderen uit Gouda met de bus naar Rotterdam moeten vervoeren. Dat is niet reëel.”

Rector Scharff van het Libanon deelt de opstelling van Van Bijsterveldt. Hij „zou niet weten” wat het kabinet kan doen tegen de segregatie. Wat hij wel weet, is dat de politiek „niet de keuze van ouders voor een middelbare school moet willen beïnvloeden”. Geen dubbele wachtlijsten, geen postcodebeleid. „Ouders zullen die maatregelen proberen te ontduiken.” En dat lukt. Liever dat ene, witte gymnasium dan een gemengde school. Die „gymnasiumdrang”, zegt Zeki Arslan, verergert het probleem. Scharff heeft „een redelijk wantrouwen” tegen witte ouders. „Want iedereen heeft zijn mond vol van gemengde scholen, maar o jee als het over je eigen kind gaat. Het schoolkeuzeproces zit vol vooroordelen. Waarom stoppen hockeyouders hun kind op een witte school met gelijkgestemden? Omdat hun onderbuik zegt dat de kinderen daar het beste af zijn.” Je kunt hooguit „met kunstgrepen beïnvloeden waar kinderen naar school gaan”. Probeerseltjes, zegt Scharff zelf. Zoals de Wereldklassen.

Daar is Arslan het niet mee eens. Ouders en schoolbesturen moeten krachtig worden aangesproken op hun „verantwoordelijkheid”, zegt hij. „We moeten ouders en schoolbesturen overtuigen dat de segregatie ook niet goed is voor leerlingen van witte scholen. Die missen competenties om zich staande te houden in een multiculturele maatschappij.”

Arslan ziet juist wel een taak voor de Rijksoverheid. „De witte vlucht moet met zware middelen worden bestreden. En elk dubbeltje dat het kabinet over heeft, moet naar onderwijs.” Vooral naar voor- en vroegschoolse educatie (vve), vindt Arslan. Dat is het onderwijs dat peuters genieten voordat ze naar school gaan. Vve bestrijdt taalachterstanden, wat cruciaal is voor de verdere schoolloopbaan.

Ook Scharff noemt vve als belangrijkste doel voor onderwijsgeld, als het kabinet „dan toch” iets wil doen tegen segregatie. „Met de vierde generatie komt het wel goed. Maar alleen als er adequate voorschoolse opvang is. Onderwijs is zó talig. Taal maakt je kansrijk in de maatschappij.”

Maar vve kan segregatie ook in de hand werken. Voorschoolse educatie is vaak gekoppeld aan zwarte basisscholen. Plaats voorscholen bij witte scholen, bepleit Arslan om die reden. Dat kan echter niet zonder instemming van witte scholen. Precies de ‘verantwoordelijkheid’ die Arslan bedoelt. „Het aantrekken van vve kan een middel zijn voor witte basisscholen om wat meer gemengd te raken.”

Soms denkt Scharff dat het beter zou zijn om niets te doen tegen segregatie. „Heeft het niet gewoon tijd nodig? Ouders willen dat het hun kinderen beter vergaat dan hunzelf. Dat is een ontwikkeling die ervoor zorgt dat er niet te veel achterstanden komen. De Wereldklassen zijn een versnelling van het proces dat toch wel plaatsvindt.” Wat wel zou helpen, denkt Scharff, is succes voor het gemeentelijke beleid om meer hoogopgeleide mensen aan de stad te binden. „Die krijgen ook weer kinderen.”

Maar als je dan toch streeft naar gemengde scholen? Scharff: „Kan dat? Willen scholen het? Als je wit bent, wil je dat veranderen?”

Niet alle scholen streven zo actief naar een gemengde leerlingenpopulatie. Vooral de witte scholen niet, zegt Scharff. „De zwarte scholen willen wel witter worden, maar de witte niet zwarter.” De Libanon-rector snapt de witte scholen wel. „Witte leerlingenpopulaties presteren goed. Dat trekt ouders, en dus kinderen. Waardoor een school weer meer geld krijgt.”

Een van de witte scholen in Rotterdam is het Rudolf Steiner College, een vrije school met 6 à 7 procent allochtone leerlingen. „Al spreken wij liever van leerlingen met een multiculturele achtergrond”, zegt rector Rudolf van Lierop. Hij zegt dat zijn school wel degelijk streeft naar een gemengde leerlingenpopulatie. „We hebben bijvoorbeeld ons lerarenkorps bewust multicultureel gemaakt, voor zover dat haalbaar was op de krappe arbeidsmarkt. Dat zou ook leerlingen van andere komaf aantrekken, hoopten we. Dat is helaas niet helemaal zo. Het werkt maar heel minimaal.”

Oorzaken? Het Rudolf Steiner werkt op basis van een „westers-christelijke identiteit”, zegt Van Lierop. Dat zou bijvoorbeeld islamitische ouders en leerlingen kunnen afschrikken. „Ik heb weleens gesproken met ouders die vroegen naar gescheiden lichamelijke opvoeding. Daar doen wij niet aan.”

Wat het Rudolf Steiner wel doet, is contacten onderhouden met witte én zwarte basisscholen. Daar houdt de school wel wat allochtone leerlingen aan over. „Maar we doen niet aan speciale pr om meer leerlingen met een multiculturele achtergrond binnen te krijgen”, aldus Van Lierop.

Scharff denkt dat het voortgezet onderwijs sowieso niet zo veel meer kan doen tegen segregatie. „Het sociaal-economisch milieu is doorslaggevender dan etniciteit. Voor een echte oplossing moeten de milieuverschillen kleiner worden.” In het basisonderwijs kunnen ouders verandering bewerkstelligen, zegt Scharff. Door hun kinderen naar een school in de buurt te sturen bijvoorbeeld, ongeacht de leerlingenpopulatie. In het voortgezet onderwijs zijn de verschillen al te groot. „Wij werken de achterstand niet meer weg.”

Dat komt ook, denkt Scharff, door de toegenomen concurrentie. „Scholen zijn bedrijfjes geworden. Ze worden betaald naar leerlingenaantal. De invoering van de lumpsumbegroting, in 1996, heeft de concurrentie versterkt.” Die manier van begroten, waarbij scholen verantwoordelijk zijn voor hun eigen geld, is ingevoerd vanuit de gedachte dat concurrentie de kwaliteit bevordert. Scharff: „En dat is waar. Scholen gaan zich ernaar gedragen. Zie de werving. Fullcolourbrochures. Markten met standjes.”

Gevolg, zegt Scharff, is dat ouders zich nu gedragen als klanten. „Je moet er niet van opkijken dat ouders zeggen: je mag blij zijn als ik mijn kind naar jouw school stuur.” Marktwerking verhoudt zich slecht tot maatschappelijke doelstellingen, vindt Scharff. Scholen zijn gedwongen om aan hun eigen hachje te denken. Dat vermindert de kans op afspraken om de leerlingenstroom te beïnvloeden.

Theo Krispijn (68) is de leraar maatschappijleer van Dilliana en Osama. Segregatie in het onderwijs is niets nieuws, zegt hij. „In mijn tijd had je de scheiding tussen jongens en meisjes, tussen arm en rijk. Nu is het zwart en wit. Ik wou dat we kapten met die hele discussie. Het etiketteert en het stigmatiseert.”

Het gaat Krispijn om „de kwaliteit van de lessen”. „Dan moet je het niet over wit en zwart hebben. Ik erken dat het taalniveau van zwarte leerlingen een relatie heeft met kwaliteit, maar wat schiet je er eigenlijk mee op om leerlingen wit of zwart te noemen? Ik zie het niet eens meer.”