Hans rijdt met zijn dikke SUV naar Bosnië

SUV-rijders hebben het zwaar op verjaardagen omdat ze het milieu zouden vervuilen. Onzin, zeggen ze zelf. „Alsof mensen met twee auto’s voor de deur géén milieuvervuilers zijn.”

Hans Saris (56), autohandelaar en garagist in Valburg bij Nijmegen, nam eind jaren negentig een ferm besluit. Hij ging zich specialiseren in terreinwagens, ook bekend als SUV’s, Sports Utility Vehicles. De personenwagens gingen de deur uit. „Ik verdiende er te weinig aan. Ik moest het hebben van het onderhoud. Moderne personenwagens vragen bijna geen onderhoud.”

De economie was goed, het milieu even geen onderwerp, de brandstofprijzen waren stabiel. En autorijders hadden ontdekt hoe ze hun individualiteit konden uitdrukken met een Defender, een Jeep Cherokee of een andere fourwheeldrive waar voorheen alleen marktkooplui en veehandelaars in reden. De vraag is waarom mensen er nog steeds in rijden, met de sterk gestegen brandstofprijzen. Benzine kostte gisteren 1,69 euro per liter.

Hans Saris zegt dat bezitters van 4×4’s, zoals hij ze noemt, leukere mensen zijn dan bezitters van personenwagens. Avontuurlijker, niet burgerlijk en écht in hun auto geïnteresseerd. Hij heeft de verslaggevers net in zijn zwarte SsangYong van de trein gehaald en nu zit hij in zijn kantoortje gepassioneerd te vertellen over de lifestyle van de 4×4-bezitter.

Hij organiseert via internet compleet verzorgde weekends bij Verdun in Noord-Frankrijk, waar SUV-rijders lekker met hun wagens kunnen spelen en alles doen wat in Nederland verboden is. Ze logeren in een oude boerderij, toeren door bossen en korenvelden, langs verlaten abdijen vol „innerlijke schoonheid” waar je normaal nooit komt. „Ik gooi er een emotionele saus overheen.”

Hij maakt ook reizen naar Bosnië, waar hij keukenblokken en incontinentieluiers en allerlei andere nuttige spullen brengt bij de weduwen van Srebrenica. Twee keer per jaar rijdt hij er in colonne heen, met acht, negen, tien andere 4×4-rijders – op eigen kosten. Ze kennen elkaar ook via internet. En dan is het handig om een Nissan Patrol bij je te hebben als zo’n weduwe aan een rotspad in de bergen blijkt te wonen.

Goed, Saris heeft het nu niet over de gemiddelde SUV-rijder. Maar het idee dat alle 4×4-bezitters aso’s zijn die het liefst met hun brandstofslurpende Hummer door de PC Hooftstraat flaneren, wil hij rechtzetten. „Dat zijn uitzonderingen”, zegt hij. „Van de Hummer worden er in Nederland een paar honderd per jaar verkocht.”

Zelf verkoopt hij per jaar 30 nieuwe SUV’s en 120 gebruikte. De kleinere SUV – een Kia Sportage, een Nissan Qashqai – doet het goed, zegt hij. „De verkoop in Nederland is het afgelopen jaar met 26 procent gestegen.” Maar verder zijn er wel wat zorgen en dat komt door het imagoprobleem. Saris heeft al meegemaakt dat klanten maar weer een personenwagen kochten, omdat ze op verjaardagen te vaak hoorden dat ze milieuvervuilers waren. „Zo triest. Alsof mensen met twee auto’s voor de deur waar ze elke dag in rijden géén milieuvervuilers zijn.”

Dan komt Rob Luchsinger (51) aanrijden, in zijn groene Mitsubishi pick-up. Hij is directeur van zijn eigen computerbedrijf en daarnaast leraar in het praktijkonderwijs. Vaste klant van Hans Saris, enthousiast deelnemer aan de Verduntochten. Een hagelbui heeft kleine deukjes in de motorkap achtergelaten en daarom komt hij nu langs. Die moeten weg. „Mijn leerlingen vinden mijn auto geweldig”, zegt hij. „Collega’s op school beginnen over het milieu.”

Dat kan hij zich voorstellen. Zelf bekommert hij zich ook meer en meer om het milieu. Hij let hij op zijn stroomverbruik, brengt zijn oud papier weg, maakt geen zinloze ritjes. „Niet twee keer rijden als het ook in één keer kan.”

Hij is gewoon een liefhebber. Niet zo’n Opel Astra-rijder. Zijn Mitsubishi heeft hij al twaalf jaar. De lier voorop, de bumper, de beugel met lichten – hij heeft ze er allemaal zelf opgezet, voor als andere 4×4-rijders zichzelf hebben klemgezet in de modder.

Tegenover de Mitsubishi van Rob Luchsinger staat de zwarte Nissan Patrol van Gerard van Bon (58), die veertig jaar postbode was en nu met pensioen is. Hij heeft het dak van zijn auto versierd met lampjes, een claxon, een zwaailicht – voor de show. „Wellicht kijkt er iemand om”, zegt hij. Laatst heeft hij twee ton grindtegels voor een kameraad in Oost-Duitsland gereden. „Daar zeggen ze super geil als je komt aanrijden.” Hij vindt het oneerlijk, hoe er hier tegen hem wordt aangekeken. „Zoals ik rij, zo geweldig rustig, nooit over de 120, nooit meer dan 3.200 toeren, dan valt mijn roetuitstoot heel erg mee.”

Hans Saris laat op zijn laptop foto’s zien van een tocht die hij had georganiseerd voor kankerpatiëntjes. Daarna vertelt hij over de demonstratie vóór de SUV die hij georganiseerd had. „Met 25 terreinwagens zijn we Nijmegen ingegaan. De marktkooplieden stonden te applaudisseren.”

Met de lokale overheid is het gemakkelijk, zegt hij. Die kun je als burger beïnvloeden. De echte bedreiging komt van de rijksoverheid. Die schafte het grijze kenteken voor particulieren met een 4×4 af, waardoor de wegenbelasting steeg van 600 naar 1.800 euro. Veel mensen verkochten hun 4×4 en Hans Saris werkt sindsdien met één monteur minder.

En dan de SP en GroenLinks, die met hun ideeën over SUV-rijders vooroordelen aanwakkeren. „Ze denken dat het rijke en slechte mensen zijn. Maar ik ben niet rijk en niet slecht. Ik rij in die zogenaamde dikke SUV wel naar Bosnië.” Hij verwacht de komende jaren weinig goeds uit Den Haag.

’s Middags neemt hij samen met zijn zoon Jip (25) de verslaggevers in de SsangYong en de Nissan Patrol mee naar een oude, met bomen en struiken overgroeide vuilnisbelt. Hier voelen ze zich vrij om te laten zien wat hun terreinwagens kunnen. Ze gaan over steile zandheuvels en door diepe waterplassen, de modder vliegt alle kanten uit. „Het gaat niet om snelheid”, zegt Hans Saris. „Dit is voertuigbeheersing.”