‘Feyenoordsupporter ben je niet voor de lol’

Peter Houtman (51) zorgt voor de vrolijke noot bij het 100-jarige Feyenoord. De man die altijd scoorde, nooit voldeed, maar wel steeds werd teruggeroepen.

Oude en jonge mannen met een Feyenoordhart lopen voorbij. Ze groeten allemaal, geven een hand of komen even een praatje met hem maken. Hij kent iedereen bij Feyenoord, iedereen kent hem. Iedereen krijgt een lach toegeworpen. Mensen voelen zich op hun gemak in het Feyenoordstadion wanneer ze Peter Houtman hebben gezien.

Hij is gaan zitten op een plek waar hij iedereen kan zien binnenkomen. Bovenaan de roltrap van het Maasgebouw heeft hij zicht op het leven van Feyenoord. Zijn club, waarvan hij al 37 jaar lid is, waarvoor hij in 153 officiële wedstrijden 90 doelpunten heeft gemaakt en waarvan hij het lachende en het pratende gezicht is – in goede en in minder goede tijden.

„Feyenoordsupporter ben je niet voor de lol”, zegt Houtman even later, als het gevoelsleven van Feyenoorders zoals hij ter sprake komt. „Feyenoordsupporters zijn zo vaak teleurgesteld. Elk jaar weer. Nooit wordt Feyenoord jaren achtereen kampioen. Altijd worden hoogtepunten afgewisseld met enorme dieptepunten. Maar juist de slechte tijden vormen het karakter van de club. Als het slecht gaat, gaan ze mopperend naar huis om nooit meer terug te komen. Maar de volgende keer staan ze er weer: toch maar even kijken. Want het is toch hun cluppie.”

Je moet er als voetballer maar tegen kunnen, tegen dat grillige, hoewel betrokken supportersleger dat vanwege zijn massaliteit Het Legioen wordt genoemd. Hij kon er wél tegen, of hij nu scoorde of niet. „Voor 50.000 mensen spelen, daar doe je het voor. Dan gaat je hart sneller kloppen, dan loop je vanzelf harder. Dan wil je altijd scoren. En als ik niet scoorde, dan kwamen ze naar me toe: ‘Wat is dat nou Peter? Je moet wel scoren voor ons.’ Ik werd er door gestimuleerd, maar ik heb veel voetballers gekend die verlamd raakten zodra ze De Kuip binnenliepen. Op de training waren ze de besten, maar in de wedstrijden konden ze niets meer. Eén fluitconcert en je kon ze wegdragen. Nog steeds zijn er spelers die er niet tegenkunnen. Dat zegt wat over de hartstocht van de supporters.”

Vandaag verdringt Het Legioen zich massaal voor de hekken van het Feyenoordcomplex. Het is feest, want Feyenoord bestaat 100 jaar. Vannacht is er vuurwerk ontstoken, vandaag vallen de supporters elkaar in de armen op de Open Dag. Peter Houtman is de spreekstalmeester. Met zijn microfoon roept hij in zijn speciaal ontworpen rood-witte jasje de mensen op het volkslied van Feyenoord te zingen. „En geloof me dat mijn stem gaat trillen. Dat doe ik niet zonder emotie. Dat is clubliefde.”

Vanavond spreekt hij tijdens een diner tot spelers, oud-spelers, leden, bestuursleden, sponsors en andere belangrijke Feyenoorders. Toevallig komt tijdens het gesprek een oud-speler langs. Op de vraag of hij ook komt antwoordt de oud-international: „Ik ben niet uitgenodigd.” Altijd hetzelfde gezeur! „Joh, jij komt gewoon, jij hoort erbij, ik zet je wel op de lijst.” En vervolgens voegt Peter er fluisterend een anekdote aan toe, in de geest van: altijd zich ondergewaardeerd voelen, altijd willen weten of Feyenoord hem nog kent.

Vertel Peter Houtman iets over gebrek aan waardering. Vanaf zijn eerste contract in 1976 tot aan zijn laatste in 1988. „Doelpunten maken bij de vleet. Maar nooit hebben trainers of bestuur gezegd: we willen je houden.” Hij werd uitgeleend aan Groningen, werd er topscorer, vervolgens teruggehaald, toen weer verkocht aan Club Brugge, toen via Groningen terug naar Feyenoord, toen weer naar Sporting Lissabon en weer terug naar Feyenoord. „Altijd scoren, maar altijd was er een trainer die vond dat iets niet klopte. Of dat het systeem niet aan mij was besteed.”

Hij was de eerste en laatste die als topscorer uit de schaduw van de legendarische spits Ove Kindvall trad. Maar altijd net niet goed genoeg. Houtman, geboren in Rotterdam, opgegroeid in Hoogvliet, zegt dat hij er als mens „niet minder” van is geworden. „Ik heb nooit een échte kans gehad. Dat is hard. Dat betekent voortdurend tegenslag. Maar van die tegenslagen heb ik geleerd. Bij Groningen kreeg ik de kansen wel. Ik heb er gescoord en in vijf jaar een geweldige tijd gehad. Die sfeer in Groningen vergeet ik nooit. Nog steeds word ik daar gevraagd voor een toespraak. Het is na Feyenoord de tweede club in mijn hart. Maar terug naar Feyenoord was altijd mij droom. Hoewel ik er altijd voor een habbekrats heb gevoetbald. Voor mijn eerste contract in 1976 kreeg ik 1.500 gulden per maand. Geld interesseerde me niet. Ik had veel meer kunnen verdienen bij andere, bijvoorbeeld buitenlandse clubs. Maar liever speelde ik voor Feyenoord. Want daar lag en ligt mijn hart.”

Hij heeft niet de glorieuze jaren meegemaakt van Feyenoord. Of de glorie was al weer tanende of was weer langzaam op weg naar nieuwe glorie. Het noodlot van Houtman, topscorer aller tijden van FC Groningen, net-niet-topscorer van Feyenoord, Peter-net-niet-goed-genoeg. Het is een mantra: „Ze vroegen mij elke keer weer terug.”

Feyenoord vroeg hem elke keer terug. De club waarvan hij als veertienjarige jongen lid mocht worden, nadat hij bij Meeuwenplaat in Hoogvliet was opgevallen als doelpuntenmaker. De club die hij als talentvolle jeugdvoetballer doorliep, de club die voor eeuwig zijn hart zou stelen. Nou vooruit, Sparta, waar hij nog even voor voetbalde, had ook iets. Maar toch dat Feyenoordvirus. „Ik weet nog dat ik als speler van de C1 een grijs spelerskaartje in de bus kreeg. Ik was veertien. Ik stond linksbuiten in de voorwedstrijd van Feyenoord-PSV. Voor 50.000 toeschouwers in De Kuip. Als je dat hebt meegemaakt, blijf je voor altijd Feyenoorder. Ik ging vervolgens naar de B5, toen naar de B1 en toen naar de selectie van het eerste elftal. Ik kreeg een contract als rechtsback. Rechtsback! Nou ja, de trainer Boskov besloot me na één jaar uit te lenen, aan FC Groningen. Ik werd er topscorer van de eerste divisie. Dus haalde Feyenoord me terug. Zo ging dat. Als ik mijn hersens had gebruikt en niet mijn hart dat voor Feyenoord sloeg, was ik ergens anders naartoe gegaan. Maar dat hart, gewaardeerd te worden door Feyenoord, daar ging het om.”

Hij kon scoren uit onmogelijke situaties. Omhalen die in de kruising eindigden, kopballen die altijd doel troffen. „Ik deed het op gevoel. Ik wilde mooi scoren, ik kopte niet zomaar. Ik kopte in de bovenhoek. Ik had patent op paal en lat, omdat ik mooi wilde scoren. Zo heb ik ze er ook in het Nederlands elftal ingeschoten en ingekopt. Acht interlands, zeven doelpunten. Geen slecht gemiddelde, toch? Ik maakte mijn debuut in Groningen, tegen IJsland, samen met Marco van Basten, en ik scoorde. Toch slechts acht interlands. Onderwaardering. Nee. Ik heb het uiterste gehaald uit mijn talent.”

Het gaat nu even niet om Oranje maar om Feyenoord, zijn club. Heerlijk, zoals hij kan vertellen over de trainingen op Varkenoord en later naast De Kuip. Trainen als jonge jongen tussen gelouterde voetballers als Van Hanegem, Kristensen, Jansen, Israel, mannen die de glorie hadden leren kennen. Het was medio jaren zeventig. De legendarische trainer Ernst Happel was vertrokken. Daar kwam een jong spitsje effe meedoen.

„Dat was een harde leerschool. Op de trainingen was het schoffelen. Je werd aangepakt. Je werd uitgescholden als je een bal verkeerd raakte. Van Hanegem liep altijd te mopperen. Als je een bal verprutste werd je uitgekafferd: Niks, je kan er niks van. Ik heb jongens huilend van de training zien weglopen, kotsend van ellende, omdat ze het niet langer konden verdragen. Ze schopten je dood. Echt waar. Maar je moest incasseren, anders redde je het niet. Dat is toch geweldig. Tegenwoordig moeten er psychologen aan te pas komen. Ik wil die jongens van nu niet veroordelen. Maar ja, moet je nu altijd begrip opbrengen? Topvoetbal is hard. Wie het niet redt, tja. Vroeger was het: doe mee of ik schop je verrot. Laat maar eens zien wat je waard bent.”

Neem zo’n Van Hanegem, zo gaat hij verder. „Hij kon je ronduit zeggen op de training dat je er niks van kon, maar de volgende keer begon hij toch te zeggen hoe het beter kon. Doe dit en en doe dat. Gebruik je lichaam, laat zien dat je er staat. Mijn vader zei altijd: kijk, luister en probeer te leren. Daarom ben ik altijd nuchter gebleven. Die mannen als Van Hanegem en ‘Stille Wimpie’ (Wie? O, Wim Jansen - gvh) konden er wat van als het om winnen ging. Dat is Feyenoord.’’

Hij verhaalt over talenten als Richard Budding, René Hofman, Pierre Vermeulen, Anthony Lurling, Henk Vos, jongens die geweldig konden voetballen maar heel snel waren geïntimideerd. „Richard Budding kwam van Wageningen. Achthonderdduizend gulden. Veel geld toen. Tsjonge, wat die kon voetballen op de training. We zaten samen in militaire dienst. Ik kende hem als geen ander. Iets ontbrak er bij hem om de doorstoot bij Feyenoord te kunnen maken. Bloed, zweet en tranen, dat moet je laten zien. Ik heb wedstrijden gespeeld zonder doelpunten. Maar ik vocht, ik kon hardlopen en wilde altijd. Ik speelde met Johan Cruijff een jaar. Ik deed wat ik moest doen. Johan begreep meteen dat hij moest oppassen in Rotterdam, met al die Rotterdamse jongens. Hij wist wat hij aan mij had. Dat karakter, of dat Rotterdams is, ik weet het niet. Kijk, als je zoals Henk Vos met witte schoenen gaat voetballen en je scoort niet, dan ben je bij Feyenoord verkeerd bezig. Dan moet je erg veel doen om de supporters tevreden te stellen.”

De pure liefhebber, de echte Feyenoorder, de man die zijn club door dik en dun steunt, is nu het ‘gezicht’ van Feyenoord. Liever nog van Feyenoord-tv, dat dagelijks wordt uitgezonden. Tijdens de wedstrijden is hij de stadionomroeper. Niet zoals vroeger „een dame die de opstellingen deed” – Houtman imiteert de omroepster. Niet de overspannen supporter zoals die tegenwoordig in elk stadion zijn schreeuwtalent toont, maar „nuchter en kritisch”, want hij is tenslotte een échte liefhebber.

Sinds twee jaar is hij in vaste dienst bij Feyenoord, als pr-man, als het pratende gezicht. Als man die de club ook een vrolijk gezicht moet geven. Hij is de man die zou kunnen zeggen: ,Ik wil altijd scoren voor Feyenoord. U toch ook.’