Dreun

De juichkreten van de Tourbazen zijn er te veel aan. Zij kraaien nu dat de strijd tegen doping bijna gewonnen is. De tricheurs worden een voor een ontmaskerd en vliegen er uit. Ook met de derde generatie epo komen ze niet meer weg. Triomfantelijke taal waarin een sneer besloten ligt naar de sukkels van het UCI. Nog steeds aartsvijand van de ASO.

Minder glorieus is de wijze waarop betrapte renners worden opgepakt door Franse gendarmes. Vooral het circus rond Riccardo Ricco was gênant. Die stupide overmacht van petten, de cordonvorming rond verdachte, het kabaal van fluitjes, kepi’s en laarzen – was Bin Laden misschien in de buurt? Ineens wordt een morele strijd tegen sportverloedering een demonstratie van repressie.

Ricco mag dan wel een onverbeterlijke etter zijn, hij is nog steeds ‘maar’ een wielrenner. Ongewapend, zij het met oorbel. Juist het buitensporige machtsvertoon van de Franse justitie suggereert dat de strijd tegen doping meer om politiek dan om ethiek gaat. Je kon zo’n enkelvoudig epogeval toch ook in stilte afvoeren, zonder publieke brandstapelkoorts.

Nieuw is dat renners onderling steeds meedogenlozer worden voor collega-pakkers. Tom Boonen riep vorig jaar al dat Alexander Vinokoerov een ‘smeerlap’ is. Bloeddoping: hoe durfde hij? Diezelfde Boonen werd dit jaar deelname aan de Tour geweigerd vanwege vermeend cocaïnegebruik. Om maar te zeggen dat wielrenners schuivende panelen zijn in verontwaardiging over de roes van een ander.

Bram Tankink was er natuurlijk ook weer als de kippen bij om Ricco nog een ferme natrap te geven. „Ik had hem tijdens een afdaling al eens een dreun verkocht.” De etter moet hangen, dat wist Bram wel zeker. Toevallig is Ricco geen Spanjaard, maar een Italiaan, anders hadden we Bram horen tetteren: „Dat hele Spanje moet aan de hoogste boom.”

Ploegleiders, soigneurs, journalisten en Tourbabes zeiden stomverbaasd te zijn over zo veel domheid. Een beetje renner had nu toch moeten weten dat epo, in zijn veelvoudige varianten, genadeloos gedetecteerd wordt. Anders rijd je toch met een shovel over je eigen lot en carrière? Tja, zou het zo simpel zijn?

Weken voor de kermis losbarst, hoor je als renner dagelijks helse verhalen over de magie van de Tour. Over die ene, onvervreemdbare wedstrijd die roem, geld en eeuwigheid baart. Er wordt verwezen naar barre tijden in het diepst van de vorige eeuw. Naar de Griekse oudheid en mosterdgas, bijna. Naar de onafwendbare doem van een hongerklop. En altijd wordt er gevallen, in de diepste ravijnen. Sportkranten koppen in chocoladeletters: ‘Troost moet je kopen, in de Tour’.

Met dat inferno in het achterhoofd begin je als 24-jarige, anno 2008, aan de Tour de France. Nee, mosterdgas kom je niet meer tegen, maar de hongerklop is er nog steeds. Lichtjes labiele hoofden gaan dan toch denken: laat ik de ellende maar effe voor zijn. Prikje hier, epootje daar. Doping als bezwering. Een beetje wat bedevaarders in Lourdes zoeken. Fout natuurlijk, maar dat is wanhoop van voorgekauwde heroïek altijd. Bijgeloof dat sterker wordt dan geloof: misère!

De sponsor van Silence-Lotto, Marc Coucke, zei laatst tegen me: „Weet je wie de Tour wint? De renner van de ploeg die het verst durft te gaan in de medische preparatie. In de rek van het toelaatbare.” Hij noemde Astana-ploegleider Johan Bruyneel als het ultimum van grensverleggende toelaatbaarheid. „Dat durft Cadel Evans niet.”

Grenzen zijn mistig, zeker in het wielrennen. Je zit zo aan een hematocrietwaarde van 51. Eén procent te hoog dus. In een oase aan strand en zee kun je die onzin scrupuleus bewaken, maar in een heksenketel als de Tour gaan andere dingen spelen. Het gevoel van anonimiteit bijvoorbeeld, dat de Tour zo eigen is. Elke dag wordt een dorp besprongen door een volle ader van officials, volgers, renners, sympathisanten. Een mollige menigte. Wie hoort wat, wie ziet wat? Gokje is zo gepleegd.

Van Saunier Duval wisten we met zijn allen al jaren: foute ploeg, foute ploegleider. Maar toen kwam daar Riccardo Ricco: gevleugelde engel, in spektakel Marco Pantani achterna. Verdenkingen smolten als sneeuw voor de zon, aubades werden dagtaal. De etter werd na twee etappezeges omarmd als de nobelste wreker aller gebergtes. Fotografen droomden al van hét plaatje: Riccardo Ricco naast Carla Bruni in Parijs. En ze geilden elkaar op dat het een lieve lust was.

Epo: einde verhaal.

Bram Tankink kan tevreden zijn: zijn dreun was fataal.