‘Doe die ministers weg en je houdt België over’

België kraakt in al zijn voegen. Het politieke gekrakeel duurt al meer dan een jaar. Maar wat vinden de Belgen zelf?

Paule Staquet (63) woont in Wallonië. Als ze met de trein vanuit Brussel teruggaat naar haar dorp Tubize, reist ze door het Vlaamse land. Tubize is het eerste Waalse dorp. Dat is niet altijd zo geweest. Vroeger, voor haar geboorte, heette Tubize Tubeke (‘Twee beken’), vertelt ze lachend, naar de twee riviertjes in het dorp. De Vlaamse naam is in het Frans vertaald.

Zo klein en willekeurig is dus het onderscheid tussen Vlaanderen en Wallonië, wil ze maar zeggen. En ze denkt dat de meeste mensen zo denken.

„Mensen willen gewoon dat het blijft zoals het is. Ze willen één België. Daarom” – ze wijst om zich heen – „hangen veel mensen in Brussel ook de Belgische vlag uit.”

Wie kijkt op internetfora als dat van de Belgische krant De Standaard, krijgt de indruk dat veel Belgen daar anders over denken. Een debat over de politieke crisis in het land – het door de koning geweigerde ontslag van premier Leterme, de toenemende dreiging van het uiteenvallen van het land – telt ruim 2.500 bijdragen, waaronder verhitte als deze: „Hoe langer we proberen om het Belgisch lijk te reanimeren, hoe erger het zal worden. Uiteindelijk sluit ik een gewelddadig treffen hoegenaamd niet uit.”

Maar op straat in de Belgische steden Brussel en Mechelen klinken mensen vooral laconiek. De crisis is politiek gedoe en staat ver af van de dagelijkse realiteit, zeggen de meesten. „Belachelijk”, noemt de barman van L’Albertine, een klein kroegje bij het Brusselse station Centraal, het botsen der politici. „Hollands-, Frans-, Duitstalig – iedereen gaat hier goed met elkaar om. Hoeveel ministers heeft België? Haal die weg en je houdt 10 miljoen Belgen over die het prima met elkaar kunnen vinden.”

„De crisis duurt ook al zó lang”, verzucht Chana Rampelbergh (22), secretaresse bij een Brussels bouwbedrijf. Zittend op een stenen randje, rookt ze nog even een sigaret buiten het rookvrije station. Ze is opgegroeid in Brussel, waar haar familie nog woont, maar woont nu in het Vlaamse dorp Opwijk.

„Hoe lang is het nu bezig? Anderhalf, twee jaar? Dan is het dit, dan weer dat. We zien het wel hoor.” Is de crisis niet dieper dan voorheen? Is ze niet bang dat het land uit elkaar valt?

„Bang? Nee. Misschien is het wel beter. Samen één land vormen, zoals nu, werkt in ieder geval niet.”

Vervolg België: pagina 4

Dakwerker en ambtenaar spreken nooit een Waal

Roberto, een 37-jarige tot Belg genaturaliseerde Spanjaard die zijn achternaam niet in de krant wil, vindt ‘opsplitsing’ zelfs het meest waarschijnlijke scenario. En ook hem schrikt het niet af. „Wat gebeurt er dan? Je krijgt twee parlementen in plaats van een. Voor mij verandert het niets.” Hij werkt in Brussel maar komt uit Genappe in Waals Brabant. Hij vindt het een beetje triest dat het zo moet gaan, in zo’n klein landje. Maar de meeste van zijn collega-beveiligers, onder wie ook enkele Vlamingen, kan het volgens hem niets schelen. Het echte probleem, vinden zij, en hij eigenlijk ook, zijn de hoge kosten van het levensonderhoud.

Ook de 25-jarige Nicolas Gallez noemt zichzelf apolitiek. De crisis zou hem niet interesseren, maar hij wordt er op zijn werk direct mee geconfronteerd. Hij is ambtenaar bij een dienst van de federale overheid, die gaat over het personeelsbeleid bij andere federale overheidsdiensten. Gallez werkt er nog maar kort, maar zijn oudere collega’s noemen deze crisis de ernstigste die ze hebben meegemaakt. „Ze zeggen dat wij nog nooit zo weinig projecten hebben gehad als het afgelopen jaar.” Alsof de federale overheid nu al een klein beetje wordt opgeheven.

Een half uur met de trein van Brussel ligt de Vlaamse stad Mechelen. Hier is de sfeer anders. Mensen op straat praten minder gemakkelijk over de politieke crisis, en degenen die het doen willen niet met hun naam in de krant, ook al is het dan een Nederlandse. Ook lijkt Wallonië opeens veel verder weg.

Een gepensioneerde dakwerker uit het Vlaamse dorp Geel, met het vuil van jaren in zijn handen, heeft in zijn werkzame leven één keer een Waal gesproken. „Dat is wel raar hè, dat je er helemaal geen contact mee hebt.” Hij is in Mechelen om te winkelen en eet op de Korenmarkt een bakje patat.

Veel Vlamingen vinden dat de Walen „al het geld opslokken”, zegt hij. Hij is het daar niet mee eens. In zijn analyse zijn de vakbonden de oorzaak van alle problemen. „De vakbonden in Vlaanderen bepalen alles. En in Wallonië hebben ze nóg meer te zeggen. Als onder druk van de bonden wetten worden gemaakt die bepalen dat er zomaar geld moet worden uitgedeeld – daar kunnen de Walen niets aan doen.” Hij denkt niet dat de Vlamingen de Walen kwijt willen. „Ik denk”, zegt hij terwijl hij een frietje aan een duif voert, „dat de meeste Belgen België willen laten blijven, maar dat ze elk wat meer voor zichzelf willen.” Een opsplitsing verwacht hij niet, wel verkiezingen.

Een Antwerpenaar die werkt op het stadhuis van Mechelen, wandelt in zijn lunchpauze door een stadsparkje met kippen en eenden. Ook hij zegt dat het de Vlamingen ergert dat de Walen niet goed met hun geld omgaan. „We hopen op een responsabilisering. Dat ze het geld uitgeven op een meer verantwoordelijke manier.” Neem de gezondheidszorg, zegt hij. Wallonië doet niets aan preventie. „Alles wat preventie is, gebeurt in Vlaanderen. Dan is het eigenlijk niet eerlijk dat Wallonië van de federale regering even veel geld krijgt voor de gezondheidszorg.” En zo zijn er meer verschillen, ook niet-financiële. Het jeugdstrafrecht bijvoorbeeld. Vlaanderen wil veel strenger straffen dan Wallonië. Hoe moet de federale overheid dan een goede strafmaat bepalen?

Net als de dakwerker spreekt deze ambtenaar nooit een Waal. „Een Belg, dat bestaat eigenlijk niet meer hè”, zegt hij. „Vroeger geloofde ik er nog in. Toen had je nog één vakbond voor het hele land, en Belgische politieke partijen. Dat is nu allemaal gescheiden.” Vroeger keken Vlamingen ook nog naar het Franstalige nieuws, zegt hij. Stond er in Mechelen nog een Franstalige school. „Als je het helemaal uit elkaar trekt, krijg je dat mensen op eilandjes gaan leven.” Vindt hij dat niet schadelijk voor het land? Hij schudt zijn hoofd. „Het is niet tegen te houden.”