Camera obscura

Ik weet precies hoe ik het moet doen. Eerst praten we wat op kantoor. We nemen de dag door. Na een kwartier kijk ik op mijn horloge en zeg ik dat we net zo goed kunnen gaan lunchen. „Een mens moet zich toch voeden.”

Niet in de kantorenwijk, maar op de Vismarkt. Wat zij niet weet, is dat ik daar vlak bij een loftappartement heb dat leeg staat. Dat moet ze zien.

Nee, anders. Ik ben in het appartement aan ’t klussen. Daarom heb ik een jeans en een rafelig t-shirt aan. Blote voeten. Er is ook een camera. Want mijn werk moet gefotografeerd worden. Ik vraag of zij direct daar naartoe komt.

Moet ik mijn schoenen uitdoen, zal ze vragen. Graag nu en nu en nu asjeblieft, please, denk ik, maar ik zeg ‘nee hoor, niet nodig’.

Wat een ruimte, zal ze zeggen, cool! (Nee: prachtig, zegt ze). En die badkamer! Badkamer?, zeg ik dan, badzáál, badplááts, Badeort! Ja, dat zeg ik. Dan gaan we lachend aan de keukentafel zitten en praten we over het werk.

Normen voor luchtkwaliteit, meetmethoden voor fijnstofemissies, de strategische relevantie van de oplegnotitie, het belang van zeereservaten, interdepartementale coördinatie.

Ik babbel maar door en doe een dichte kraan verder dicht. Controleer de sluiting van een gesloten raam. Mooi, zeg ik en wijs naar een streep licht dat een hoek tekent met de bakstenen binnenmuur en de houten vloer.

De ruimte wordt zacht rood en geel gekleurd. Zal ik wat foto’s van je nemen, zeg ik, nadrukkelijk ongeïnteresseerd.

Nee, ook niet goed. Eerst lunchen. Er is wijn en gestoomde vis. We praten over elkaars hobby’s. Muziek, reizen. Hopelijk ook lezen.

Na twee glazen vraag ik snel: heb jij een tatoeage of een piercing. Welnee is nee. Daar doe ik geen mededelingen over is ja. Wat vind je het mooist aan jezelf. Je ogen? Die kan je toch niet direct zien? En je voeten? Mijn voeten? Gewoon. Oh.

En dan gaan we naar het appartement. Er is ongetwijfeld een lome middagzon. Ik vraag: laat mij wat foto’s van je nemen, zwart-wit. Ga eens in de vensterbank zitten. Ik druk een paar keer af. Wil je je laarsjes en kousen uitdoen? „Dat staat natuurlijker.”

En stroop je mouwen iets op. Leg je armen rond je opgetrokken knieën. Niet lachen, anders worden je ogen te klein. Hoofd iets schuin.

Zo ga ik het doen. Heel luchtig. Geen schorre stem. Kalm blijven. Laat mijn handen niet trillen. Ik weet nu precies hoe het moet. Nu gebeurt het.

Sta me bij.

Wynold Verweij