Beroep: typotekt

Het Haagse gemeentemuseum toont het werk van ontwerper Piet Zwart. Het plezier spat er nog steeds vanaf.

Op kousevoeten sluipt het persoonlijke drama van Piet Zwart binnen in de kleurige zalen van het Haags Gemeentemuseum, dat een grote overzichtstentoonstelling wijdt aan het werk van deze vooraanstaande grafisch ontwerper, fotograaf en reclameman.

Piet Zwart (1885-1977) was gedreven, altijd op zoek naar nieuwe middelen en technieken om de tijdgeest in beeld te vertalen. Hij was buitengewoon productief: als je alleen al kijkt naar wat er allemaal op deze tentoonstelling hangt en staat, dan moet hij onophoudelijk aan het werk zijn geweest. Maar hij wilde altijd méér. Behalve ontwerper – hij noemde zichzelf liever ‘vormingenieur’ of ‘vormtechnicus’ – wilde hij ook vrij kunstenaar zijn. Hij voelde zich aangetrokken tot het werk en het denken van Theo van Doesburg van De Stijl, El Lissitzky van het constructivisme, Kurt Schwitters van Dada. Maar hij wilde ook de architectuur beheersen. Hij begon aan een studie aan de TU Delft en werkte jaren als tekenaar voor Berlage en Jan Wils.

Aan het einde van die hele reeks mooie zalen vol sprankelend werk doemt dus het vermoeden op van een persoonlijk drama: de gefnuikte ambities van iemand die naar meer blijft verlangen dan zijn toch al groot talent hem kan bieden. Hij werd noch architect, noch kunstenaar. Een studie bouwkunde aan de TU Delft brak hij af, en veel meer dan een winkelpui, een varkensschuur en een paar vakantiehuizen heeft hij niet gebouwd. Hij verzon een nieuw beroep waarin de typograaf en de architect werden verenigd, de ‘typotekt’ – maar deze hybride is al doordesemd van de onmogelijkheid van de droom.

Evenmin heeft hij de sprong gewaagd van het toegepaste naar het vrije werk; hij ontwikkelde zich eind jaren twintig tot een begenadigde fotograaf, maar zijn foto’s en fotogrammen (waarbij voorwerpen direct op fotopapier werden belicht) bleven uiteindelijk ondergeschikt aan zijn ontwerpwerk. Terwijl juist zijn vrije werk op de tentoonstelling zo veel indruk maakt! Hij had een grote belangstelling voor film en toneel, en samen met De Stijl-kunstenaar Vilmos Huszár creëerde hij in 1920 schimmenspelen en kostuums voor de dansers met fluorescerende vlakken erop. Zijn fotografie kon hij gebruiken in zijn affiches en bedrijfsfolders, maar hij kon er ook zijn fantasie in laten gaan. In 1927 maakte hij een prachtige foto van een witte emaillen schaal waaruit een dunne straal impregneerolie loopt. Een foto uit 1930 toont eenvoudigweg twee in elkaar gestrengelde herenboorden, een andere, uit 1931, toont het lichtspoor van een bromtol. Het zijn vormstudies die geen enkel ander doel dienen dan het tonen van schoonheid, en daarin zijn ze bijzonder effectief.

Tussen 1923 en 1933 werkte Zwart veel voor de Nederlandsche Kabelfabriek. Bij Bruynzeel duurde de verbintenis nog veel langer, van 1919 tot 1962. Hij ontwierp er werkelijk van alles, van potloden en driehoekige blikken boenwas tot reclamecampagnes en in 1938 de eerste keuken. Die was zo slim doordacht en gestandaardiseerd dat de consument de onderdelen naar eigen keuze kon samenstellen, in wezen een vroeg voorbeeld van wat nu in de auto-industrie mass customization heet.

In het spoor van zijn interesse voor de artefacten van zijn tijd maakte hij ook uitgebreide studies van industriële voorwerpen als zetletters, kabelhaspels en hoogovens. Het zijn intrigerende beelden waarin esthetiek en functionaliteit gelijk opgaan: de machine en de industrie zijn voor hem de bron van nieuwe schoonheid. Van de bloemrijke stofdessins en de ambachtelijkheid van zijn eigen vroege jaren moest hij niets meer hebben, het waren de wetten van de techniek die allesbepalend waren voor het scheppingsproces.

Maar tegelijkertijd had hij oog voor de mensen die in de industrie werkten: de schaftende arbeiders, de houtbewerker bovenop een schuin weglopende stapel planken, de spelende kinderen. „Allemaal zijn het portretten van een rap industrialiserend land en van de mens die kennis en machine tot zijn bondgenoten maakt”, schrijft Yvonne Brentjens in de uitvoerige catalogus. „Tot op heden hebben deze foto’s echter nooit de aandacht gekregen die ze verdienen.”

Piet Zwart volgde met belangstelling de internationale avant-garde van zijn tijd, maar hij is nooit lid geworden van bijvoorbeeld De Stijl (Van Doesburg vond hem een „meeloper”). In reactie op een uitnodiging van het Bauhaus is Zwart naar Dessau gereisd, maar tot een aanstelling is het niet gekomen. Maar ook zonder zich te verbinden aan een van de grote bewegingen van begin twintigste eeuw is Piet Zwart een van de boegbeelden van de moderne tijd geworden. Hij is het bekendst geworden met zijn grafische werk, waarin hij gedisciplineerd en toch losjes allerlei nieuwe middelen probeerde: schuine lijnen en teksten, drukletters in allerlei grootten, cirkels en rasters en fotocollages. Hoewel het werk een half of driekwart eeuw oud is, maakt het een sprankelende indruk. Het plezier van de maker in het proberen van iets nieuws spat er nog steeds vanaf.

Piet Zwart, Vormingenieur, t/m 7 sept. In het Haags Gemeentemuseum. Catalogus door Yvonne Brentjens 39,95 euro.