Beren en kopjes thee

Weinig toeristen weten de weg naar het uiterste noordoosten van Turkije te vinden. Dat is vreemd, want er is erg veel te zien, met het Kaçkargebergte als hoogtepunt.

De Firtina-rivier draagt met razende vaart het smeltwater naar de Zwarte Zee. De minibus slingert met evenveel vaart langs haar oever in tegenovergestelde richting het Kaçkargebergte in. Plaatselijke doedelzakmuziek tettert uit de boxen. Terwijl de weg langzaam stijgt, wordt het dal nauwer, groener, steiler en vertakt het zich in andere dalen.

Honderden meters boven de weg kijken vakwerkboerderijen, gebouwd op palen, uit over de bergen. Op vochtige dagen raken ze de wolken aan. Paarse en gele rododendron wurmt zich door de dichtbegroeide berghellingen en hangt in grote bossen boven de wilde rivier.

Boerinnen werken op onvoorstelbaar schuine theeplantages. Rond vijf uur ’s middags galmt de oproep tot het gebed door het dal. Streng gelovig zijn ze hier echter niet. De vrouwen dragen kleurrijke hoofddoeken en de muziek blijft aanstaan. De Kaçkars zijn het domein van de Hemsin, een volk dat zijn wortels heeft in Armenië en Iran en pas in de negentiende eeuw is geïslamiseerd.

Als in juni alle sneeuw is gesmolten, verlaten ze hun dorpen om een paar maanden in de yayla’s te wonen. Deze zomerdorpjes liggen op het ruige bergland, boven het wolkendek, op twee- tot drieduizend meter hoogte.

„Daar komen we pas echt tot leven”, vertelt Mehmet Demirci, een lokale gids en trotse Hemsin. „De boeren laten hun vee grazen op de hoge weiden. Er zijn veel culturele activiteiten, zoals het vartivor, waarbij iedereen elkaar natgooit met water en er veel gedanst, gezongen en gegeten wordt.”

Vreemdelingen zijn van harte welkom en Demirci heeft speciaal voor hen een meerdaags cultureel programma samengesteld dat half augustus begint. In lager gelegen plaatsen, zoals Artvin en Ardahan, worden stierengevechten en olieworstelkampioenschappen gehouden.

Hier in de Kaçkar klopt het wilde hart van Noordoost-Turkije. Dat wordt grotendeels genegeerd door de twintig miljoen toeristen die jaarlijks het land aandoen. Uiteindelijk brengen slechts 60.000 bezoekers hun tijd door op de ruige Oost-Anatolische hoogvlakten. Die geringe bezoekersaantallen zijn vreemd en onterecht, want het gebied biedt genoeg cultuur, natuur en activiteiten voor een volledige vakantie. Maar die geringe aantallen zijn ook een zegen: een bezoeker heeft het land praktisch voor zichzelf.

Dat geldt in mindere mate voor Ayder, midden in het gebergte en startpunt van veel excursies en wandelroutes. Dat wordt iedere zomer overspoeld door luidruchtige Turkse vakantiegangers. Maar ze komen doorgaans het dorpje niet uit en zijn dus makkelijk te ontwijken.

Weldadig verlaten is bijvoorbeeld het Bulut-dal, waarvan de ingang verstopt ligt langs de drukke weg naar Ayder. Dit dalletje is gezegend met zeer vruchtbare grond en een gunstig klimaat. Hierdoor is alle vegetatie zeker anderhalf keer zo groot als normaal en lijkt het alsof je ineens een stuk gekrompen bent. Bij de grote ruisende waterval is het goed picknicken met plaatselijke lekkernijen.

De laatste tijd, zegt Demerci, ontdekken ook Europese ‘kwaliteitstoeristen’, dat wil zeggen rustige en natuurminnende vakantiegangers, deze bergen. Dat wordt vergemakkelijkt door een nieuwe wandelgids van de Engelse trekkingspecialiste Kate Clow. Zij heeft 32 aantrekkelijke tochten door het gebergte uitgestippeld. Sommige voeren door makkelijk te belopen laaggelegen groene weiden. Daar bestaat de mogelijkheid op een treffen met beren en de zekerheid van gesprekjes met en kopjes thee bij gastvrije boeren. Andere routes vereisen meer kunde en conditie. Oude herderspaden lopen langs yayla’s, ijsmeren, ruige toppen en – met wat extra voorbereiding – tot aan de vrijwel verlaten oostkant van het gebergte.

Die verlaten oostkant, de hoogvlakte die zich tot Georgië en Armenië uitstrekt, is een plek waar veel volkeren hun sporen hebben achtergelaten. De Georgiërs lieten tientallen kerken na; meestal op onbegaanbare en daardoor oogstrelende plekken. Soms zijn deze kerken tot moskee omgebouwd, maar meestal zijn ze overgegeven aan de natuur. Vaak heeft klimop zich in de hoekige koepels genesteld. Zwaluwen vliegen schril fluitend onder de rijk beschilderde, maar afbladderende bogen door.

De Russen bouwden verder oostwaarts kleurrijke herenhuizen in rastervormige straten in Kars. Daardoor doet de grensstad bij Armenië eerder Kaukasisch dan Turks aan. De stad verwierf zes jaar geleden internationale bekendheid doordat ze niet al te flatteus figureerde in Sneeuw, de bekende roman van de Turkse schrijver Orhan Pamuk. Veel locaties en personages zijn op waarheid gebaseerd en in een route gegoten die met de stadsgids in de hand te bewandelen is.

Is de stad echt zo treurig als Pamuk haar afschildert? Ja en nee, zegt Vedat Akçayöz, een lokale verfhandelaar, journalist, cultuurpaus en auteur van de stadsgids. „Er is veel verdriet in Kars. De mensen zijn arm. De rest van Turkije is ons vergeten. Maar we hebben een rijke cultuur. Hier wonen Koerden, Azeri’s, Yerlis, Turkmenen, Karapalken en afstammelingen van Duitsers, Grieken, Syriërs en Molokans (een verbannen Baltische religieuze groepering, red.). Die hebben allemaal hun eigen gebouwen en culturele eigenaardigheden achtergelaten.”

Ook wijst hij op de rijke flora en fauna rond de stad. Hij stuurt toeristen bijvoorbeeld graag naar het Çildir-meer. In juni wordt dit verlaten water omzoomd door eindeloze velden met knalrode klaprozen. Het meer zelf is een rijke bron van vis. Op andere delen van de vlakte draven nog wilde paarden.

Even buiten Kars ligt ook Ani, de oude Armeense hoofdstad die nu nog net in Turkije ligt. De spanning en het getreiter tussen beide landen is hier voelbaar. Langs de enige weg er naartoe, tussen twee schrale dorpen in, staat een monument voor de slachtoffers van de Armeense genocide. De Turkse slachtoffers welteverstaan. Ani zelf, een groene ruïnestad van vijf hectare, ligt ingeklemd tussen Turkse en Armeense wachttorens, van waaruit de bezoekers nauwlettend in de gaten worden gehouden.

Rond 1000 na Christus leefden ongeveer 100.000 mensen in deze Zijderoutestad. In het ruïnelandschap met vele kerken, kathedraal, karavanserai, zoroastrische vuurtempel en moskee doen ze niet aan gebaande paden en hekken. Ondanks de politieke spanningen mag je er vrij rondlopen; eenzaam en stil bij gebrek aan de toeristische horden.

Verder naar beneden langs de grens ligt Dogubayazit. De lelijkheid van de stad wordt ruimschoots gecompenseerd door haar ligging op de hoogvlakte aan de voet van de berg Ararat. Op de hoogste berg van Turkije (ruim 5000 meter) ligt volgens de overlevering de Ark van Noach verborgen. De berg is te beklimmen, maar ondanks wat plaatselijke gidsen zeggen, is daar echt een vergunning voor nodig die minstens 45 dagen wachten vergt. Onlangs werden er drie Duitse toeristen ontvoerd door Koerdische rebellen, dus enige alertheid is vereist.

Wat Dogubayazit bijzonder maakt, is het fraaie Ishak Pasa paleis. Het ligt op een hoog plateau en biedt een geweldig uitzicht op de hoogvlakte, waar de wolken een nooit vervelend schaduw- en lichtspel opvoeren. Ararat ligt even verderop simpelweg imposant te wezen.

De zeventiende-eeuwse architecten hebben uitvoerig geput uit de vele stijlelementen die in dit gebied voor het oprapen liggen, die van Georgiërs, Ottomanen, Armeniërs, Perzen en Seldjoeken. Als de Kaçkar het kloppende hart is van Noordoost-Anatolië, dan representeert dit paleis zijn veelzijdige ziel.