‘Afrikaanse boer moet samenwerken’

Het ontbreekt kleine Afrikaanse boeren aan ondernemersmentaliteit, zegt Hans Eenhoorn, voorheen directielid bij Unilever. Hij hoopt dat onderwijs dat verandert.

Hans Eenhoorn, een voormalige hoge bestuurder bij Unilever, wil in Afrika bij de weeshuizen van hulporganisatie SOS-Kinderdorpen landbouwscholen neerzetten. Zo slaat hij, denkt hij, drie vliegen in één klap. De jongeren uit de dorpen kunnen later als boer in hun eigen onderhoud voorzien. De landbouwkennis in Afrika wordt opgekrikt. En hopelijk gebeurt er zo iets aan één van de grote onzichtbare belemmeringen als het gaat om honger- en armoedebestrijding: het gebrek aan ondernemerszin onder kleine boeren.

Eenhoorn: „Ik zou graag zien dat de kinderen tot boer opgeleid kunnen worden, door mensen uit hun eigen cultuur. Landbouwonderwijs is in de verdrukking gekomen en de waarde ervan wordt onderschat. Ik ben ervan overtuigd dat hier een kans ligt. Zo kan een mentaliteitsomslag gerealiseerd worden die in Afrika zo nodig is. Kleine boeren moeten een ondernemersmentaliteit krijgen.”

Als Product Group Executive Ice Cream Business bij de voedsel- en wasmiddelenfabrikant Unilever bekeek Hans Eenhoorn tijdens zijn werkzame leven hoe hij wereldwijd zoveel mogelijk Magnums en Cornetto’s kon verkopen. Na zijn pensionering in 2001 maakte hij de ommekeer van eten naar het gebrek daaraan. Hij trad toe tot de VN-Taskforce on Hunger, die een strategie moest ontwerpen om de honger in de wereld in 2015 te halveren – een van de zogeheten Millennium-ontwikkelingsdoelen van de VN. Hij zit in het Nederlandse en het internationale bestuur van SOS Kinderdorpen. En hij zette een schoolvoedingsproject in Ghana op, dat 500.000 kinderen dagelijks van een maaltijd voorziet.

Naar verwachting zal het aantal hongerigen, 850 miljoen, dit jaar met 100 miljoen stijgen.

„Voor het eerst ben ik bang dat we het eerste Millenniumdoel niet zullen halen. Wat je ziet is dat mensen weer onder de armoedegrens geduwd worden. Er moet extra geld bij alle hulpprogramma’s om hetzelfde te kunnen blijven doen. In de SOS-Kinderdorpen ging eerst 40 procent van het budget op aan eten. Dat is nu 70, soms 80 procent. In arme gezinnen blijven per dag misschien nog net genoeg calorieën over, niet genoeg voedingsstoffen voor kinderen in de groei. Dat betekent dat een kind verzwakt. Het overleeft malaria niet, of een aanval van de wormpjes die ze daar allemaal hebben. Onze hulp is dan cruciaal.”

Hoe komt het dat kleine Afrikaanse boeren niet profiteren van de hoge voedselprijzen?

„De aansluiting bij de lokale markt van boeren in de derde wereld is vaak heel slecht. Door de hoge olieprijzen zijn kunstmest en transport allebei een stuk duurder geworden. ”

Overheden in arme landen moeten in landbouw investeren en marktbarrières wegnemen, zeggen sommigen. Anderen wijten de voedselproblemen juist aan de liberalisering van de voorbije twee decennia.

„Deze zaken liggen in elkaars verlengde. Vijf jaar geleden beloofden de regeringen van Afrikaanse landen dat ze tien procent van het bbp aan landbouw zouden besteden. Het is waar dat dat nog niet door veel landen gehaald wordt, maar er wordt aan gewerkt. In sommige landen nemen de defensie-uitgaven af ten gunste van landbouw, zoals in Kenia. Wat de liberalisering betreft vind ik dat Afrikaanse landen het recht moeten houden hun lokale markten te beschermen tegen de sterk wisselende prijzen op de wereldmarkt. Maar de hoge tarieven tussen Afrikaanse landen onderling kunnen beter verdwijnen.”

Schreef u niet zelf dat de markt altijd ongunstig uitpakt voor kleine boeren?

„De kleine Afrikaanse boer zit onderaan de voedselketen, heeft geen geld om zijn productie te verbeteren en zijn grond is uitgeput. Als hij zijn krachten niet bundelt met die van andere boeren kan hij niet tegen de grote spelers op. En hierin schuilt het voornaamste probleem: het ontbreekt kleine boeren aan het vertrouwen dat nodig is om het anders te doen dan voorheen, om risico te kunnen nemen. Noem het een ondernemersmentaliteit. Je merkt dit heel sterk als je probeert Afrikaanse boeren te bewegen tot het vormen van een coöperatie. Men vertrouwt elkaar niet, men heeft ook geen vertrouwen in instituties en hulpverleners. ”

Hoe kan men de positie van kleine boeren verbeteren?

„Allereerst moet de infrastructuur moet worden aangepakt. Dus niet alleen goede wegen naar havens en vliegvelden, maar ook in het achterland. Als de hulp die op de jongste FAO-top is toegezegd er ook echt komt (11,7 miljard euro), is het verder belangrijk te zorgen dat er niet te veel aan de strijkstok blijft hangen.”

Dat lukt maar zelden.

„Het is niet handig hier al te rigide in te zijn. Ik heb inmiddels geleerd dat het in Afrikaanse culturen gebruikelijk is dat de patron zijn deel krijgt van een transactie. Wij noemen dat corruptie, maar als dat zo hoort, dan is het beter dit binnen zekere grenzen te accepteren. Zero Tolerance betekent ook: zero ontwikkeling.”

Speelt het bedrijfsleven ook een rol?

„Ook grote bedrijven moeten de verantwoordelijkheid nemen om kleine landbouw te steunen. En langzamerhand gebeurt dat ook. In de thee bijvoorbeeld wordt door Unilever veel met kleine boeren gewerkt, in de palmolie ook. Helpen met de kwaliteit en organisatie. Ook Heineken doet dat.”

Maar wel de prijs door de voedselketen heen naar beneden drukken.

„Dat denk ik niet. Europa kent inmiddels toch een soort standaard op het gebied van maatschappelijk en verantwoord ondernemen. Ik wil niet de idealist uithangen en zeggen dat er geen misstanden zijn, maar in de productieketens als geheel begint men meer oog te krijgen voor lokale producenten. We moeten mensen misschien ook een beetje dwingen af en toe. Keiharde controle op de overheden die de licenties uitgeven lijkt me een goede zaak.”

En harde eisen aan het bedrijfsleven stellen om verantwoord om te gaan met kleine boeren?

„Ja dat zou mogen. De wereld zit niet goed in elkaar. Het wordt duidelijker hoe direct de relatie is tussen ons eten en hun eten, tussen overvloed hier en honger daar. We hebben de morele en economische plicht om te komen tot een betere verdeling.”

Ben u nu pessimistischer dan in 2001, toen u uw tweede leven als hongerbestrijder begon?

„Ik ben wat minder naïef. Het is allemaal minder eenvoudig op te lossen dan ik aanvankelijk dacht.”

meer informatie op: www.soskinderdorpen.nl