Zorgen over komst imams uit Marokko

De coalitiepartijen CDA en PvdA willen dat de Nederlandse ambassade in Marokko de visumaanvragen van een zevental geestelijken „kritisch onderzoekt”, zodra zij zich melden om in Nederlandse moskeeën lezingen te gaan verzorgen.

Tegelijk zouden de moskeebesturen ‘nee’ moeten zeggen tegen hun komst, vindt Tweede Kamerlid Jeroen Dijsselbloem (PvdA). Ze zouden afreizen in opdracht van de Marokkaanse regering.

Volgens hem werkt dat als een duidelijk signaal aan de Marokkaanse overheid dat „Marokkanen in Nederland hun eigen geestelijk verzorgers kiezen en niet zitten te wachten op dit soort bemoeienis”.

De regering in Rabat besloot eerder deze week om 176 geestelijken (167 mannen en 9 vrouwen) naar Europese landen en Canada te sturen om tijdens de ramadan in september te preken of lezingen te verzorgen. Daar zou in de verschillende landen grote behoefte aan zijn. Als thema is dit jaar gekozen radicalisering en extremisme omdat het een groeiend probleem is, vooral ook in Marokko.

Dijsselbloem; „Ik dacht dat we af waren van dit oude paternalisme om de mensen binnen de Marokkaanse invloedsfeer te houden. Blijkbaar steekt het de kop weer op.”

Ook het CDA in de Tweede Kamer heeft grote bezwaren tegen deze activiteiten en noemt het „ongehoord” dat zeven geestelijken in opdracht van de Marokkaanse regering „naar Nederland gaan om daar problemen op te lossen”.

Kamerlid Dijsselbloem verwacht veel van een actieve opstelling van de ambassade. „De mensen kunnen niet zomaar naar ons land worden gestuurd. Ze hebben een bijzondere positie en hebben een aanstellingsbrief nodig. Er moet altijd een werkgever zijn.” Dijsselbloem: „Het mooist zou zijn als de moskeebesturen ook laten weten dat ze zich niets laten opdringen.”

De Amsterdamse jongerenimam Yassin Elforkani, actief in het stadsdeel Slotervaart, is het wel eens met Dijsselbloem dat de actie kan worden gezien als poging „om de Marokkaanse identiteit te versterken”. Hij vindt dat onjuist: „Marokkanen hier moeten focussen op Nederland, ze gaan toch niet terug.” Maar de komst van de geestelijken voorziet volgens hem wel in een grote behoefte aan verdieping. „Maar ik ben wel bezorgd of de geestelijken voldoende voorbereid zijn, of ze de Nederlandse context kennen.”