zomeren in new york

Op zaterdagmiddag zitten twee kinderen in Central Park, het grootste park van de stad New York in Amerika. Op het gras zitten Betty Scher, haar broer David en hun oppas.

Vertel eens hoe oud jullie zijn.

Betty: „Ik ben negen.”

David: „Ik zes.”

Betty: „Nee joh, zeven.”

David: „Oh ja. Zeven.”

Waar wonen jullie?

Betty: „In de buurt van de 79e Straat. Straten hebben hier geen namen, maar nummers. Waar wij wonen is het heel gehorig. Komt door de auto’s. Dat gaat 24 uur per dag door en ze toeteren altijd.”

David: „Heb je wel opgeschreven dat ik zeven ben?”

Betty: „En wij wonen op de tiende verdieping en we hebben drie appartementen bij elkaar. Dat is één huis.”

David: „Het is heel groot.”

Betty: „In Nederland hebben jullie nog veel grotere huizen hè?”

David: „Met een trap zelfs?”

Betty: „Dat vind ik zo leuk aan het platteland. Hier is het heel moeilijk om een huis te krijgen. Bij ons in de buurt is het heel groen omdat we dicht bij Central Park wonen.”

David: „Mijn verjaardag g ing over sport. Maar toen sloeg ik met honkbal de bal tegen het hoofd van de trainer.”

Hoe bedoel je dat? Als je je verjaardag viert, heeft dat dan een onderwerp, een thema?

Betty: „Ja ik had het thema kostuums. Iedereen was verkleed. Ik was prinses.”

David: „En met sportverjaardagen kan je basketballen...”

Betty: „Hockeyen.”

David: „Hou eens op!”

Betty: „En schaatsen.”

David: „Ik ben beter dan iedereen. Ik heb medailles.”

Betty: „Komen wij nu in de krant? Wow! Ik wil actrice worden.”

David: „En ik wil uitgever worden.”

Betty: „Want onze vader is uitgever. Ken je zijn tijdschrift ‘Locations’? Gaat over huizen.”

Nee, sorry. Waar zijn je ouders nu?

Betty: „Die zijn thuis aan het relaxen. Op zaterdag krijgen ze altijd eerst een massage en daarna gaan ze uit eten.”

En dit is jullie oppas?

David: „Ja!”

Betty: „En we hebben er nog een. Die komt vijf dagen per week.”

Wat doen jullie als het zomer is?

Betty: „We komen hier naar het park.”

David: „Ik heb een waterpistool. Ik hou ervan om speelgoed te krijgen.”

Betty: „Hij houdt ervan om te winkelen.”

David: „Dat begrijp ik niet van mijzelf hè? Naar de winkel gaan voor kleren vind ik niks aan. Maar voor speelgoed wel.”

Betty: „Duiven zijn duivels.”