Zelfdestructie en levenslust gaan hand in hand

Lieve Gerrit,

Ja, je hebt helemaal gelijk. We moeten er vooral voor hoeden dat het een naaikransje wordt. Onze tijd en de ons toebedeelde ruimte – om over tijd en aandacht van de lezers maar te zwijgen – zijn te kostbaar om te verkwisten aan niemendalletjes en familiair gekeuvel.

Ah! Hoe verlang ik ernaar om ook bezonnenheid en wijsheid tentoon te spreiden, apodictische stellingen uit te spreken, een zwierige en majestueuze zwiep van de vleugel van mijn grootse ziel, maar ik kan het niet. Of beter gezegd: ik heb daar een ander medium voor nodig dan een brief; vandaar dat ik wel eens een dichter zou willen zijn, slechts voor kort, om daarna weer gewoon te doen. Ik ben er, eilaas, nog niet aan toe. Heb geduld, ik kom er nog wel.

Wat betreft mijn bijna-ondergang: ik ben er wel onder door gegaan, jij had alleen niet het voorrecht dat te mogen aanschouwen. Toch moet ik lachen als ik lees dat ‘mijn vrienden pijn leden’ terwijl ik zeven hemelen bij elkaar glimlachte (mooie expressie – zelf verzonnen?). Ik sta argwanend tegenover bezorgdheid die achteraf wordt uitgesproken; wie tijdens mijn ‘stagnatie’ zweeg, heeft geen recht nu te spreken. Niet dat ik dan geluisterd zou hebben, uiteraard niet, maar in een geval als het mijne kan ik de grenzen tussen bezorgdheid, bemoeizucht en leedvermaak niet goed onderscheiden.

En wat de ‘stagnatie’ betreft (een stagnatie die ik durf te betwijfelen): wie ben ik een haan verschuldigd?

Eind januari 2000 zei jij tegen mij dat er een grens is aan zelfdestructie; dat klopt uiteindelijk niet. Zelfdestructie kent geen grenzen natuurlijk, of het moet de dood zijn. Mijn neiging tot zelfdestructie ging hand in hand met mijn levenslust, zoals een broer en zusje naar dezelfde school. Ik leed een schrijnende pijn, maar leefde in een euforie. Ik ben verschillende keren tot op de bodem gegaan, heel bewust, maar moest mij gewonnen geven aan mijn levensdrang. Ik heb mijn organen wat afgemarteld om mijn bewustzijn te kunnen strelen en sussen.

Om te ontdekken dat er een grens is aan wat ik mijzelf aan kan doen. De masochist in mij is henen en de folteraar in mij heeft lamme handen. Waar ik roekeloos was, weet ik nu mijn angst te koesteren. En het leven kent zo zijn middelenloze euforie; sterker nog, ik heb het leven altijd beschouwd als een lange euforie, dat is de lust en de last van het bewustzijn. Verschillende facetten van deze prismatische euforie te ontdekken, deed mij grijpen naar middelen en ik zie nog steeds het voordeel in van die verkenningen. Alleen mijn lichaam staat niet meer toe dat ik straffeloos die middelen kan nemen en ik eerbiedig tevens de fysieke angst. Ik denk dat het de regisseur Tarkovsky was die zei dat het ergste wat een mens kan overkomen is overgeleverd te zijn aan de wreedheid van de mens. Ik was die situatie voor door mijn eigen geweldenaar te worden.

Maar in de liefde zijn we nu eenmaal overge leverd aan de ander. En de hand die streelt is tevens de hand die keelt. Het was een omweg die ik maakte, maar een omweg die de vermoeienissen waard was. ’The weary, wayworn wanderer bore/ to his own native shore.’ Ik moet een citaat aanhalen, anders voel ik mij naakt.

Dus praat mij niet over de pijn die ‘vrienden’ leden terwijl ik in mijn hel zeven hemelen schiep met mijn glimlach. En mocht voorgaande klinken als een rationalisering van irrationeel gedrag, dan is dat gedeeltelijk waar.

Het is ook allemaal onzin, maar oprechte onzin.

Avoes, Hafid