Vietnamees gezin in de nesten door een 20 cm te lange kraam

De wet geldt voor iedereen en dus ook voor het Vietnamese gezin dat op markten met zijn mobiele verkoopwagen snacks verkoopt. Maar de handhavers van de wet kunnen soms heel pietluttig zijn.

Lam en Ta staan met hun Vietnamese snacks naast Dirk de haringboer en Rita de kaasvrouw. Op hun kraam staat: ‘Vietnamees spreekwoord. Vriendelijkheid opent alle deuren en brengt mensen tot elkaar.’

Ik bestel een loempia, maar hoef niet te betalen. „Cadeautje van mij”, zegt Ta met haar liefste glimlach. Direct daarop vraagt Lam of ik een brief wil schrijven om te protesteren tegen een parkeerboete. „U bent toch schrijver?”, zegt hij.

„Wat willen jullie dat ik schrijf?”, vraag ik.

„Beetje zielig doen”, lacht Ta.

Ook al hebben ze daar de laatste tijd weinig reden toe: het echtpaar Bui blijft lachen.

Op dinsdagavond 18 maart om 22.20 uur schoof een ambtenaar van de milieupolitie een bekeuring van 50 euro onder de ruitenwisser wegens „parkeren van een voertuig langer dan 6 meter en hoger dan 2,4 meter op een plaats waar dit verboden is”.

Ze begrijpen er niets van. Ruim drie jaar zetten ze hun mobiele verkoopwagen elke avond na het werk op de parkeerplaats pal naast hun huis in Almere. De milieupolitie reed er al die jaren regelmatig langs. Geen vuiltje aan de lucht.

„Jullie hebben drie jaar mazzel gehad”, kregen ze te horen.

Toen Lam vroeg of hij die twintig centimeter te veel er soms af moest zagen, zeiden ze dat hij zijn rijdende kraam maar op het bedrijventerrein moet parkeren. Dat doet hij niet, want daar slaan inbrekers en graffitispuiters toe. Ook is er geen stroom om de etenswaren vers te houden. Een alternatief is een fabriekshal huren. Maar dat kost al gauw 1.500 euro per maand – net zo veel als gedurende een hele maand elke dag een boete van 50 euro.

Avond aan avond houden Lam en Ta om de beurt vanuit de huiskamer hun boterham in de gaten om er meteen bij te zijn als er weer een prent wordt uitgeschreven. Tot diep in de nacht liggen ze te piekeren over een oplossing.

Het wereldje dat ze hadden opgebouwd na hun vlucht uit Vietnam dreigt ineen te storten. In hun nieuwe vaderland bedraagt het verschil tussen je hoofd boven water houden en je hand op houden twintig centimeter.

Volgens mij zijn ze heel goed in staat zelf op papier te zetten wat hun dwarszit. Ik krijg gelijk. Hun bezwaarschrift is overtuigend. Geen taalfout doet er iets aan af.

Ik beperk mijn aandeel tot een begeleidend briefje, waarin ik betoog dat al hun klanten te doen hebben met het hardwerkende echtpaar. Ook dring ik erop aan hen te vrijwaren van nieuwe boetes tot er een oplossing is.

Lam en Ta lezen mijn briefje. „Negotie, wat is dat?”, vraagt Ta. „Jullie handel”, verduidelijk ik. Dat begrijpen ze.

Ik bedenk dat de twee geen uitgebreide woordenschat nodig hebben voor een praatje met de klanten. Dat gaat immers altijd over het weer en het eten.

Lam wil weten wat ‘ontheffing’ betekent. Ik licht toe dat ze zouden kunnen proberen toestemming te krijgen om op dezelfde plek te blijven parkeren. „Dat is een vergunning”, concludeert Lam. En vergunningen, daar weet hij alles van met zijn vier standplaatsen in de regio.

„Ambtenaren zijn niet goed”, verzucht hij.

„Vietnamezen zijn niet goed”, werp ik tegen.

Hij grijnst: „Sommige ambtenaren zijn wél goed.”

„Sommige Vietnamezen ook”, zeg ik.

Het staat 1-1.

Het is niet van harte dat ik de ambtenaren verdedig. Ik vind het vreemd dat een ingekorte mobiele verkoopwagen wél zou mogen, bel de gemeente op en krijg als antwoord: „De wet geldt voor iedereen, ook voor allochtonen.” Als ik informeer of er misschien een ‘piepmelding’ is binnengekomen, een telefoontje uit de buurt, luidt de reactie: „Als mijn buurman langer dan drie dagen zijn caravan op de uitrit zet, bel ik ook op.”

Ik trek er de les uit dat mijn verzoek aan het eind van mijn briefje om Lam en Ta niet alleen te bekeuren maar ook te helpen, aan het verkeerde loket gericht is en besluit hun ervaring onder de aandacht te brengen van een breder publiek.

Lam vraagt zich bezorgd af of ik vergunning van de gemeente krijg om over hem en Ta in de krant te schrijven. Hij zou niet graag willen dat ik in de gevangenis kom, zegt hij.

„Nooit van persvrijheid gehoord?”, vraag ik. Hij haalt zijn schouders op. Ik kom er niet achter of Lam een grapje maakt. Even later is dat een stuk makkelijker. Hij wil graag meewerken aan een foto van zijn gezin bij de verkoopwagen, maar niet meteen, want ze moeten er „een beetje rottig” uitzien. Gescheurde kleertjes en zo. „Beetje zielig doen”, lacht hij.

De officier van justitie heeft op het bezwaarschrift van Lam en Ta gereageerd door de opgelegde boete te halveren.