Pruimentaarten

Al voor de belegering van Leningrad waren de kostbaarste kunstwerken uit de Hermitage netjes ingepakt en op transport gezet naar Siberië. Tijdens de bijna drie jaar durende belegering van de stad, waarin de honger geleidelijk verwoestende vormen aannam, bleven de medewerkers van de Hermitage naar hun werk gaan, om wat te ordenen, schoon te maken, rond te hangen.

Soms kwam er toch een bezoeker in de lege zalen, waar niets te zien was. Op een dag begon een suppoost zo’n bezoeker te vertellen wat er had gehangen in de lege lijsten en de kale ruimtes. Schilderij voor schilderij beschreef hij. De volgende dag kwamen er een paar bezoekers. Geleidelijk aan bezochten groepjes verlangende kijkers het lege museum, en lieten zich rondleiden door de vertellende suppoost, die hen beeldend beschreef wat ze niet zagen en daardoor toch zagen, in gedroomde kleuren, in onwerkelijke verhoudingen, in stralende pracht.

Zo althans was het onze vriend verteld tijdens een bezoek aan Sint-Petersburg en zo vertelde hij het door. Een schitterend verhaal, je zag het ijzige licht in de hoge hol klinkende zalen, buiten de bevroren Neva, binnen het kraken van parket onder de schoenen van de hongerigen die niet alleen brood behoefden, maar ook kunst, kleuren, schittering, rijkdom.

Van dat beeld zal wel niet veel kloppen, maar dat maakt het verhaal niet minder, integendeel eigenlijk, dat bewijst nog eens te meer wat woorden doen. Door woorden zie je dingen die er niet zijn. Misschien is de rijkdom van kunst wel vooral in de woorden eróver gelegen.

En soms denk ik: de rijkdom van alles. Neem de tuin. Hoor mij zeggen dat ik achterin een klein boomgaardje heb, met pruimen- en appelbomen, een stukje afgesloten van de rest van de tuin door een hoge heg. Het grenst aan een weiland en heeft een weids uitzicht tussen de bomen door. Op de open plek aan de rand staan twee smeedijzeren hekjes die begroeid zijn met Oost-Indische kers. Je kunt er vooral ’s ochtends heel prettig aan een houten tafel zitten in de spikkelschaduw.

Ja, we zien het voor ons. Wat een paradijsje! We proeven de woorden ‘pruimen- en appelbomen’, we zien de feloranje en hier en daar donkerrode Oost-Indische kers langs de hekjes kronkelen – geweldig!

In het echt is het niet zo’n heel groot stukje, ik vind het er soms wat te donker, er staan ook nog een schuurtje en een kasje, het gras is er rommelig, er moeten eigenlijk wat bomen weg.

Ja, dat klinkt anders. Maar hoe is het beeld veranderd? Wat mag ‘in het echt’ betekenen in dit alles? Een ander fantasiebeeld dat geacht wordt een corrigerende werking op het eerste te hebben, maar het enige dat wellicht gecorrigeerd wordt, is de stemming.

„Ik lag de lieve, lange dag tussen het bloeiend fluitekruid”, las ik eens bij Ida Gerhardt en het riep een heerlijk beeld op van een warme dag in mei en iemand met een grassprietje in de mond die uitkeek over een rivier, heel de lieve lange dag – dat is lang hoor. Je gaat je vervelen zo’n lieve lange dag met niets dan fluitekruid, (Ida Gerhardt schreef dat nog zonder die stomme tussen ‘n’) je wilt wel eens wat bewegen. Maar daar knapt het gedicht niet van op.

Mijn pruimenboom daar achter hangt barstensvol. Wij gaan heel de zwoele augustusmaand pruimentaarten bakken…