Ongrijpbaar en onbetrouwbaar

Amerikanen zien een gangster in Muqtada al-Sadr, de leidsman van de lang onderdrukte shi’ieten in Irak, een Hitler zelfs. Voor anderen is hij een Robin Hood.

Patrick Cockburn: Muqtada. Muqtada al-Sadr, the Shia Revival and the Struggle for Iraq. Scribner, 226 blz. € 34,–

De Amerikaanse autoriteiten hebben talrijke fouten gemaakt vóór en na de invasie in Irak, maar een van de grootste was dat ze nalieten zich op de hoogte te stellen van de etnische en religieuze werkelijkheid in het land. Irak was een relatief hoog ontwikkelde en seculiere staat, zei de Amerikaanse onderminister van Defensie Paul Wolfowitz voordat de aanval in maart 2003 werd ingezet. Dat was het Amerikaanse leiderschap ingefluisterd door hoog opgeleide en seculiere Iraakse ballingen, die koste wat het kost wilden dat de Amerikanen voor hen Saddam Hussein ten val zouden brengen.

In de daardoor gevormde Amerikaanse optiek zou het geen probleem zijn om, na de omverwerping van de tirannie, Irak om te vormen tot een pro-westerse democratie met een uitwaaierende invloed over het hele Midden-Oosten. De werkelijkheid was en is dat vrome, voornamelijk laag- of niet-opgeleide shi’ieten, die na twaalf jaar internationale economische sancties verkommerd waren, 60 procent van de Iraakse bevolking uitmaken. Zij moesten jarenlang de tweede viool spelen naast de sunnitische minderheid die de machtsbasis vormde van Saddam Husseins regime.

Toen de Amerikanen na Saddams val verkiezingen organiseerden, brachten de shi’ieten op bevel van hun geestelijk leider grootayatollah Ali Sistani hun eigen fundamentalistische partijen aan de macht. In plaats van de seculiere Irakezen die in het Westen hun ballingschap doorbrachten, maken in Irak nu ballingen uit Iran de dienst uit en politici en geestelijken die nooit weg zijn geweest. In de Arabische wereld verspreidt zich in plaats van democratie, angst voor de shi’ieten, nu erfvijand Iran vrienden heeft gekregen in Bagdad.

Afstammeling

De Britse journalist Patrick Cockburn, die sinds 1977 over Irak schrijft, vertelt in zijn nieuwste boek het verhaal van de Iraakse shi’ieten met daarin centraal de figuur van de jonge, populistische geestelijke Muqtada al-Sadr. Deze afstammeling van een prominente ayatollahfamilie is door de Amerikanen weggezet als een politieke gangster, als leider van een bende straatvechters (zijn Leger van de Mahdi), als een Hitler zelfs, maar voor de shi’itische onderklasse is hij een Robin Hood.

Cockburn heeft, in tegenstelling tot de meeste westerse verslaggevers, na maart 2003 veel tijd in Irak doorgebracht en heeft voor zijn Muqtada veel geput uit eigen ontmoetingen en vraaggesprekken. Het resultaat is een goed geschreven boek dat Muqtada Sadrs opkomst verklaart aan de hand van Saddam Husseins onderdrukking van de shi’ieten en hun geestelijk leiders en dat Muqtada zelf portretteert als een onderschatte nationalistische – en dus anti-Amerikaanse – politicus en leider.

Muqtada Sadrs eerste verschijning in het internationale nieuws bestempelde hem in de westerse opinie meteen tot gevaarlijke stokebrand. Dat gebeurde bij de moord op Majid al-Khoei, zoon van een van Sistani’s voorgangers, die nog geen 24 uur na de val van Saddam Hussein in de shi’itische heilige stad Najaf door een woedende menigte werd doodgeslagen. Khoei leefde in ballingschap in Londen, stond bekend als pro-westers en anti-Iraans en was door de Amerikaanse CIA naar Irak meegenomen om zaken mee te doen – in plaats van met de obscure locale geestelijkheid. Volgens de toenmalige berichten had Muqtada aangezet tot de moord op Khoei als onderdeel van een oude vete tussen hun families. Maar volgens Cockburn is het niet zeker dat hij zo’n doorslaggevende rol heeft gespeeld, hoewel ook hij zijn betrokkenheid niet uitsluit.

Voor de Iraakse shi’ieten kwam Muqtada niet uit het niets. Hij is de enige nog levende zoon van ayatollah Mohammed Sadiq al-Sadr, die door Saddam Hussein in 1992 – na de hard neergeslagen shi’itische opstand – werd aangewezen als geestelijk leider van de shi’ieten. Saddam dacht dat hij Mohammed Sadiq al-Sadr in zijn zak kon steken, maar zelden had hij zich zo vergist, schrijft Cockburn. Andere ayatollahs dachten binnen de kaders van de geestelijke elite of hielden zich koest, maar Mohammed Sadiq ging aan de slag om een machtige volksbeweging te vormen.

De massale verarming van de Irakezen als gevolg van de sancties – die waren bedoeld om Saddam te dwingen afstand te doen van zijn massavernietigingswapens, maar vooral het volk troffen – was de essentiële voorwaarde voor de snelle opkomst van Mohammed Sadiq én, later, van Muqtada, zo onderstreept Cockburn terecht. De shi’ieten verloren, meer dan de sunnieten die de geprivilegieerde groep bleven, een toekomst om voor te leven en zochten hun heil in het geloof. De Sadrs speelden daarop in en breidden hun invloed uit, onder meer tot de Bagdadse sloppenwijk Saddam City, direct na Saddams val omgedoopt tot Sadr City.

Mohammed Sadiq kwam in 1998 met twee van zijn zoons om het leven bij een door het regime georganiseerd auto-ongeluk. Hij werd door zijn aanhangers beschouwd als een levende heilige, een status waarop Muqtada later zonder twijfel meeliftte. Dat hij de religieuze bagage van zijn vader mist, maakt hem volgens Cockburn des te aantrekkelijker voor de jonge shi’itische have-nots. Zij wantrouwen het door de rivaliserende Hakim-familie – in tegenstelling tot de Sadrs vrienden van Iran én van Amerika – vertegenwoordigde establishment tot op het bot, een gevoel dat door de tegenpartij van harte wordt beantwoord.

In 2004 overleefde Muqtada twee Amerikaanse offensieven tegen hemzelf en zijn militie, het legertje van slecht bewapend maar toegewijd straatschorem dat hij in korte tijd na Saddams val had opgebouwd. Zijn grote kracht is dat hij zich tot dusverre steeds op het juiste moment wist terug te trekken en dan zijn tegenstanders in verwarring achterliet. Ook de afgelopen maanden, waarin de machtige partij van de Hakims samen met die van premier Maliki voor de provinciale verkiezingen proberen af te rekenen met de Sadristische beweging, hield hij zich gedeisd. Volgens een Amerikaanse inschatting, zo schreef Cockburn deze week in zijn krant The Independent, kan Muqtada in theorie 60 procent van de stemmen in Bagdad en het shi’itische Zuid-Irak winnen.

Zuiveringen

Wat bij Cockburn onvoldoende uit de verf komt, is Muqtada’s rol in het ongebreidelde sektarische geweld en de gewelddadige zuiveringen waaraan zijn Leger van de Mahdi zich schuldig maakte toen de burgeroorlog in februari 2006 losbarstte na de sunnitische aanslag op de shi’itische Gouden moskee in Samarra. Hij suggereert dat de daders weliswaar loyaal waren aan Muqtada, maar uit eigener beweging aan het moorden waren geslagen, een verdediging die Muqtada zelf ook opvoert: ‘Misdadigers gebruiken mijn naam als dekmantel voor hun acties’. Dat is te makkelijk. Muqtada is juist wél steeds in staat om zo nodig zijn manschappen van straat te halen – zoals hij vorige zomer op het hoogtepunt van het Amerikaanse veiligheidsoffensief in Bagdad nog liet zien.