Ongewenste hulp

Het kabinet heeft de „helpende hand” van Pieter van Vollenhoven in de zaak-Spijkers terecht afgewimpeld. De voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid had zich twee maanden geleden via de media aangeboden als vertrouwenspersoon in het lang lopende conflict tussen de klokkenluider Spijkers en het ministerie van Defensie. In 1984 kwam munitiespecialist Rob Ovaa om het leven toen een ondeugdelijke Ap23-mijn explodeerde. Spijkers weigerde als maatschappelijk werker destijds de opdracht om de weduwe van de militair onjuiste informatie te geven over de doodsoorzaak. De fout lag volgens Defensie niet bij de mijn, maar bij het slachtoffer. Defensie heeft Spijkers vervolgens slecht behandeld: ontslagen en voor gek verklaard. Zes jaar geleden volgden eerherstel en een schadevergoeding. Maar ook daarmee wordt sindsdien gechicaneerd.

De zaak-Spijkers draait om de integriteit van de betrokken ambtenaren en politici. Dus hoewel een ongeval aan het begin staat van deze affaire, is tussenkomst van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid niet aan de orde. De fracties in de Tweede Kamer, van SP tot en met Verdonk, samen goed voor 75 zetels, die erop aandrongen Van Vollenhoven een rol als vertrouwenspersoon te geven, hebben half nagedacht. Als Van Vollenhoven niet optreedt uit hoofde van zijn voorzitterschap, zou zijn hulp alleen gebaseerd zijn op zijn status van onkreukbaar burger. Maar het feit dat hij door zijn huwelijk met de zuster van het staatshoofd lid is van het Koninklijk Huis, kan niet worden genegeerd. Het is kortzichtig te denken dat die pseu

do-koninklijke status Van Vollenhoven een extra breekijzer verschaft om dingen voor elkaar te krijgen die anderen niet lukken. Bovendien, zo is geopperd, zou hij met zijn bevoegdheid als voorzitter van de Onderzoeksraad dossiers kunnen openen die voor jaren zijn gesloten. Hier loopt van alles door elkaar. Die dossiers op het ministerie van Defensie moeten open. Daar heeft de Tweede Kamer eigen machtsmiddelen voor. Een prins op een wit paard is alleen effectief in sprookjes.

De kwestie wringt op het punt van de ministeriële verantwoordelijkheid. Ook voor het optreden van Van Vollenhoven als vertrouwenspersoon is minister-president Balkenende verantwoordelijk. Mocht de uitkomst van diens ‘helpende hand’ uitdraaien op politieke consequenties voor bewindspersonen, dan bijt het staatsrechtelijk leerstuk van de onschendbare vorst zich in de eigen staart. Onschendbaarheid van de koning en van de leden van het Koninklijk Huis betekent in de praktijk dat zij zich niet met staatszaken dienen te bemoeien, waar immers ministers verantwoordelijkheid voor dragen. Anders wordt onschendbaarheid een dekmantel voor het aanwenden van oneigenlijke bevoegdheden.

Dit alles betekent niet dat Balkenende nu rustig achterover kan leunen. De afwikkeling van de zaak-Spijkers is een aanfluiting. Voor een politicus die het behoorlijk naleven van normen en waarden tot een prioriteit zegt te hebben gemaakt, geldt dat dubbel.