Moeizame missie in chaotisch grensgebied met Darfur

Eufor, de EU-missie in Tsjaad, wil een half miljoen mensen beschermen. Het mandaat is klein, het terrein zwaar en de neutraliteit moeilijk te bewaren.

De acht ultramoderne Viking-pantserwagens komen met een ruk tot stilstand op de korstige grond waar de Tsjadische Sahel overgaat in vruchtbaarder savanne. Rondom vrij zicht. Een ideale plek om de tenten op te slaan voor de nacht, oordeelt luitenant William Diepeveen.

Terwijl zijn mariniers hun klamboes tevoorschijn halen komt een zwarte vrouw aanlopen, op haar rug een huilende baby. Hevig gebarend trekt ze de aandacht. De Tsjadische tolk vertaalt: of we weten dat onze rupsvoertuigen bovenop een ingezaaid veld staan? Weg maisoogst. „Nee”, zegt luitenant Diepeveen, „bij vorige patrouilles stonden we toch ook hier?” Even later rollen de Vikings met grommende diesels weg, opnieuw diepe sporen achterlatend. De vrouw krijgt een paar noodrantsoenen van het Korps Mariniers. Dextro Energy, oploskoffie en gesmolten chocola voor Afrika.

Een paar kilometer verderop demonstreren de gedreven mariniers de wendbaarheid en snelheid van hun pantserwagens. Met zestig kilometer per uur stuiven ze over het land, dat door de losgebarsten regen in een mum van tijd verandert in een enkeldiepe blubberpoel. Dan komt er een telefoontje binnen van UNHCR. Of de Nederlanders hun tientonners willen verwijderen van de landingsstrip van de VN-vluchtelingenorganisatie? Die is nog nodig om levensmiddelen aan te leveren voor het nabijgelegen opvangkamp Habile.

Op locatie nummer drie, pal naast de landingsbaan, brengen de veertig mariniers uiteindelijk de nacht door. In het aardedonker ratelen op een paar honderd meter plots zware mitrailleurs. De mariniers mogen niet ingrijpen. Ze liggen immers zelf niet onder vuur.

In totaal zestig Nederlandse mariniers doen sinds vorige maand hun best om rust en orde te brengen in het zuidoosten van Tsjaad, een van de armste landen ter wereld, zonder spoorlijn en bijna zonder verharde wegen. In het niemandsland langs de grens met Soedan en de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR) dolen een half miljoen Soedanese vluchtelingen en Tsjadische ontheemden rond, slachtoffers van een veelkoppig monster dat luistert naar namen als Darfur, interetnisch geweld, stammenvetes en banditisme.

De Nederlanders vormen samen met 350 Ierse militairen een bataljon in Goz Beida, een geïsoleerd gehucht van tienduizend inwoners. Tot maart 2009 moeten in totaal 3.700 Eufor-militairen omstandigheden creëren waarin de vluchtelingen en ontheemden alleen nog de hulp van het Tsjadische leger en de politie nodig hebben om terug te keren naar hun huizen. Eufor is naar verwachting in september op volle kracht, halverwege de missie. Nu bestrijken bijna 3.100 militairen het missiegebied zo groot als half Frankrijk.

Het opruimen van de humanitaire olievlek vereist een oplossing voor Darfur, is de dominante opvatting onder waarnemers en veldwerkers. „Absoluut”, zegt een Afrikaanse medewerker van UNHCR in het door prikkeldraad omzoomde pand van de vluchtelingenorganisatie middenin kamp Habile. Sinds de komst van Eufor hoort UNHCR van meer vluchtelingen dat zij zich veilig voelen. Medewerkers van een buitenlandse ngo die geen publieke uitspraken mogen doen over Eufor, zeggen binnenskamers dat zij vergelijkbare geluiden horen. Maar een terugkeer naar Darfur is uitgesloten zolang Soedan weigert mee te werken. Khartoum en de Tsjadische president Déby staan elkaar naar het leven, beide sponsoren rebellen in het buurland.

De bereidwilligheid van Khartoum zal niet toenemen door het verzoek afgelopen maandag van Luis Moreno-Ocampo, de hoofdaanklager van het Internationale Strafhof, om een arrestatiebevel tegen Omar al-Bashir. De president van Soedan gaf volgens Ocampo persoonlijk het bevel voor een genocide die volgens de VN zeker 300.000 Darfuri’s het leven heeft gekost. Bashir reageerde door het Strafhof te verketteren, de VN kondigden uit vrees voor represailles de terugtrekking aan van ondersteunend personeel in Darfur.

Ontheemden rond Goz Beida zeggen wel terug te willen naar hun dorpen maar bang te zijn te worden aangevallen. Door bandieten, rebellen of Arabische nomaden die uit zijn op grond en vee van de zwarte Afrikanen. „Als we rebellen tegenkomen, en ze vallen de bevolking niet lastig, dan gaan wij ze niet tegenhouden”, zegt majoor van de landmacht Frits Snels (43), die in Tsjaad met de mariniers samenwerkt. „Dat staat ons mandaat niet toe.”

Op 14 juni stonden de Nederlanders oog in oog met tientallen zwaarbewapende rebellen op de markt van Goz Beida. De rebellen van het UFDDF, vrijheidsstrijders die uit zijn op de val van president Déby, plunderden vestigingen van ngo’s en stalen terreinwagens. De Ieren werden beschoten. In het zicht van de Nederlandse pantserwagens kozen de rebellen eieren voor hun geld: ze leverden de wagens weer in bij Eufor en verdwenen. De vraag is wanneer zij opnieuw opmarcheren naar N’Djamena of een ngo overvallen.

Een gevoelig onderwerp binnen Eufor is de neutraliteit. Critici, ook in de Tweede Kamer, waarschuwden van tevoren dat de bevolking en de rebellen in Tsjaad de Europese missie zullen zien als verlengstuk van Epervier (Havik), de permanente Franse militaire aanwezigheid in ex-kolonie Tsjaad. De ruim duizend Fransen vormen de levensverzekering voor president Déby, die zij meer dan eens in het zadel hebben gehouden tegen rebellen die proberen hem omver te werpen.

Uitgerekend gastheer Déby trok na 14 juni de aanwezigheid van Eufor in zijn land in twijfel. Volgens Paddy McDaniels, de Ierse commandant van het bataljon in Goz Beida, was dat „uit frustratie over het feit dat wij niet zijn kant kozen tegen de rebellen”. Een onbedoeld compliment dus juist voor de neutraliteit van Eufor. Wel opereerde Eufor na Débys kritiek enkele dagen onder verhoogde veiligheidsmaatregelen. Uit vrees voor Tsjadische militairen die op rare ideeën zouden komen.

Voor Eufor zelf blijkt neutraliteit echter ook niet altijd heilig. Tijdens een patrouille stuiten de Vikings op een jeep die vastzit in de modder. De inzittenden, ieder in een ander type uniform, introduceren zich als militairen van het Armée Nationale Tchadienne, het regeringsleger. Of de Nederlanders niet even een handje kunnen helpen? De mariniers slingeren een kabel om de bumper, met speels gemak trekt een Viking de Tsjadiërs los.

„Natuurlijk helpen we in zo’n situatie iedereen”, zegt detachementscommandant Tjarko Leungen (33) na terugkeer op de basis. „Maar het geeft aan hoe moeilijk het is om 100 procent neutraliteit te bewaren.” Hoe weten de Nederlanders eigenlijk zeker dat ze het leger helpen, en niet rebellen? De loyaliteit van sommige Tsjadiërs wisselt met de dag, legeruniformen zijn te koop op de markt in Goz Beida. Leungen: „Strikt genomen kun je dat niet weten, nee.”

De bedoeling is dat Eufor in maart zijn taken overdraagt aan Minurcat, een VN-missie die de Tsjadische gendarmerie opleidt zodat zij de bescherming van de vluchtelingen en ontheemden kan overnemen. „Er zijn nu al signalen dat die datum krap wordt”, zegt Leungen. De VN hebben al moeite genoeg om manschappen los te krijgen voor missies elders in Afrika. Zullen het banditisme en de ruzies tussen landbouwers en nomaden niet weer in alle hevigheid oplaaien? „Je kopt hem zelf al in”, reageert marinier Ton Boers.