Is de aanklacht tegen Bashir een verstandige zet?

Het Internationale Strafhof herleid alles wat in Darfur is gebeurd tot één oorzaak: de Soedanese president Bashir.

Daar bevorder je zeker de vrede niet mee in het land.

Het conflict in Darfur begon als een burgeroorlog in 1987, voordat president Omar al-Bashir aan de macht kwam. De strijd werd gekenmerkt door willekeurige moorden en massaslachtingen. Toen al werd het woord ‘genocide’ gebruikt. De vertegenwoordiger van Fur (bevolkingsgroep in Soedan, red.) zei op de verzoeningsconferentie in 1989 in Al Fashir: „Het doel is een totale holocaust en niets minder dan de totale vernietiging van het Fur-volk. […] Dit conflict draait om hun poging om de mensen te verdelen in ‘Arabieren’ en ‘zwarten’ (Zurga), waarbij de eerste groep superieur zou zijn.”

De openbare aanklager van het Internationale Strafhof (ICC) heeft kritiekloos het standpunt van één partij in dit conflict overgenomen: de partij die sprak over een ‘holocaust’. Hij praat verder over „nieuwe kolonisten” in het huidige Darfur, en suggereert daarmee dat hij zich dit partijdige perspectief eigen heeft gemaakt.

De aanklager spreekt ook zonder kennis van de geschiedenis: „In Darfur heeft Bashir het idee gestimuleerd van polarisatie tussen de stammen die zich aan hem verbonden hadden, die hij ‘Arabieren’ noemde, en de Fur, Masalt en Zaghawa, die hij ‘Zurga’s’ noemde”. Maar het onderscheid naar ras was al aanwezig in de burgeroorlog van 1987-89, en wortelt in de Britse koloniale periode.

De aanklager concentreert zich op twee gevolgen van het conflict: etnische zuivering door landbezettingen en terreur in de kampen. Voor beide acht hij Bashir verantwoordelijk. Maar de landbezittingen hebben drie verschillende achtergronden.

De eerste is de achteruitgang van het milieu, die volgens cijfers van de VN ertoe heeft geleid dat de woestijn in vier decennia honderd kilometer is opgeschoven. Dit leidde, ten tweede, tot een conflict tussen stammen met en zonder eigen gebied. De laatste groep zat ineens zonder middelen. De overlevingsdrang verklaart deels het ongemene geweld in de oorlogen sinds 1987. De derde oorzaak is de keiharde strijd tegen de opstandelingen die het regime van Bashir in 2003 heeft ingezet.

Omdat hij graag een zaak wil opbouwen, verdoezelt de aanklager de recente geschiedenis. De massamoorden stammen vooral uit 2003 en 2004. De aanklager stelt dat de periode daarna wordt gekenmerkt door andere vormen van geweld in de kampen. Dit staat haaks op de bewijzen uit verschillende bronnen dat de dodencijfers in de kampen sinds begin 2005 zijn gedaald tot ongeveer 200 per maand. Hoe begrijpelijk ook, de bewijzen die zijn zaak ondermijnen mogen niet door de aanklager worden verdoezeld. Het probleem is dat alles wat in Darfur is gebeurd, wordt herleid tot één oorzaak: Bashir.

Het vreemdste deel van de aanklacht is de neiging massamoord waar een motief achter zit, te rechtvaardigen. In het stuk worden twee soorten burgers onderscheiden: mensen die een legitiem doelwit kunnen zijn van regeringsgeweld en mensen voor wie dat niet geldt. Alle gewapende groepen in Darfur – rebellen en regeringstroepen – zijn voortgekomen uit tribale milities. Dat is hetzelfde als een gewapende burgerij: wie is dan deelnemer en wie niet?

In 2003 en 2004 vond er in Darfur een massaslachting plaats. Dat was grotendeels een uitvloeisel van de strijd tegen opstandelingen, maar dat kan geen rechtvaardiging zijn. De daders moeten daarvoor verantwoordelijk worden gesteld. Maar waar en hoe: dat is een politiek besluit dat niet toevalt aan de openbare aanklager van het Internationale Strafhof.

De noodzaak om een einde te maken aan straffeloosheid is niet de enige relevante overweging bij het beëindigen van een conflict. Het akkoord om de oorlog te beëindigen combineerde straffeloosheid voor iedereen met hervormingen. Hetzelfde gold voor het akkoord waarmee een einde kwam aan de apartheid in Zuid-Afrika. Het is twijfelachtig of in deze zaken vrede zou zijn bereikt als het Strafhof erbij was betrokken.

Mahmood Mamdani is hoogleraar politieke wetenschappen en directeur van het Columbia Instituut voor Afrikaanse studies.