Ik word getroost door schoonheid

Louis Dijksman (63) heeft een chique kledingzaak in de Rotterdamse binnenstad.

Hij verliet het familiebedrijf en begon voor zichzelf. Veel vrijheid, maar ook problemen.

Amsterdam heeft de P.C. Hooftstraat, Rotterdam de Van Oldenbarneveltstraat. De wát? Ja oké, de straat is minder bekend, smaller en korter ook en niet altijd even druk. En nu worden alle winkelpanden ook nog eens gerenoveerd, waardoor een aantal winkels tijdelijk moet sluiten. Zoals Prague, de winkel waar Louis Dijksman kleren verkoopt van Dries van Noten, Haider Ackermann en Ann Demeulemeester. Het deed Louis Dijksman (63) even denken aan de jaren zeventig, toen Rotterdam een tweede metrolijn kreeg en de Coolsingel jarenlang een zandbak was. Net toen hij daar zijn tweede Oblio Kindermode had geopend. Uiteindelijk moest hij beide winkels van de hand doen. Daarna volgden andere winkels, groothandels, een eigen collectie en, sinds tien jaar, Prague. De winkel haalde vorig jaar de New York Times in een artikel over ‘Holland’s second city offers some of the smartest – and most original – shops in all of Europe’. En dan te bedenken dat Louis Dijksmans ouders nog stoffen verkochten op de markt in Rotterdam.

Vertel daar eens over?

„Dan moet ik beginnen bij de oorlog. Ik kom uit een joodse familie die voor de oorlog een aantal kledingwinkels had. Een groot deel van die familie is weggehaald en vermoord. Mijn moeder, twee broers en een zus overleefden het. En die broers begonnen na de oorlog opnieuw met een kledingwinkel. Mijn ouders niet, die stonden op de markt. Totdat mijn vader op oudejaarsavond een ongeluk kreeg. Mijn broer en ik hadden hem gevraagd vuurwerk af te steken vanwege de geboorte van mijn zusje, dat was vernoemd naar mijn omgekomen oma. Maar het vuurwerk ontplofte in zijn hand. Hij verloor een paar vingers en daarna kon hij niet meer tegen de kou, buiten op de markt. Toen zeiden mijn ooms: komen jullie maar bij ons in de winkel. Je weet, joodse families hebben een sterke band met elkaar. En door de oorlog werd dat nog hechter.”

Dus u ging ook werken in het familiebedrijf?

„Natuurlijk, de hele familie zat in de winkel. Zo werd dat opgebouwd. Het begon met één winkel, toen werden het een stuk of drie, vier en uiteindelijk waren het er meer dan veertig. Mijn ooms waren geweldige zakenmensen. Ikzelf heb drie jaar hbs gedaan en daarna een textielopleiding. Dat was allemaal met het oog op de zaak.”

Is het niet beklemmend, zo’n uitgestippeld levenspad?

„Ja. Ik was het liefst kunstenaar geworden. Maar dat kon niet, ik moest het familiebedrijf in. Er moest gewerkt worden. Dus dat deed ik. Er was wel een verschil: ik kon iets wat de anderen niet konden. Ik kon mooie etalages maken. En vanwege mijn smaak werd ik ook betrokken bij de inkoop. Die dingen had ik in de vingers en die mocht ik dus ook doen. Maar ook al mocht ik die dingen doen, ik werd er steeds ongelukkiger van dat ik in de winkel stond. Want bij een familiebedrijf hoort hiërarchie. Er zijn regels waar iedereen zich aan moet houden. Al helemaal als je niet de zoon van de eigenaar bent maar een neef, zoals ik.”

Wat vonden ze ervan dat u weg wilde?

„Weggaan gold als een soort vloek. Wie gaat er nou weg uit een familiebedrijf? We horen bij elkaar, samen zetten we de schouders eronder. Maar ook al vond de familie het niet goed, toch hielpen ze me toen ik een eigen winkel wilde beginnen. Want dat hoort ook bij een sterke familieband: je staat voor elkaar klaar. Oblio Kindermode opende in 1972. Mijn oudste dochter was toen net geboren. Je had in die tijd nog niet zoveel op het gebied van kindermode. En wat er was, was stijfjes: jurkjes, sokjes en van die poppeschoentjes. Het was niet mooi en niet stoer. En ik wilde mooie, stoere kinderkleren verkopen. Ik wilde het anders gaan doen dan mijn familie en ook anders dan alle anderen. Vandaar ook de naam. Oblio is een kaboutertje in een Amerikaans sprookje over het Land of Point. In dat land is het verplicht om een punthoofd te hebben. Maar Oblio heeft een rónd hoofd – en dus wordt hij verbannen. Uiteindelijk komt het allemaal goed, want tijdens zijn omzwervingen leert hij dat je ook zonder punthoofd een punt in het leven kunt hebben: ‘it’s not necessary to be pointed to have a point in life’.”

Hoe verging het de winkel?

„Dat werd een succes. Tenminste, eerst. Ik had mooie kleren. En goede klanten: voetballers. Willem van Hanegem, Wim Jansen. En niet alleen Feijenoord. Omdat Van Hanegem bevriend was met Johan Cruijff en Danny, zijn vrouw, kwamen die óók. Ik herinner me dat de zaak volliep als hij dan handtekeningen uit ging delen. Het ging zo goed dat ik nog een winkel kon openen. Maar opeens was het over. Johan Cruijff kreeg kleren van Daniël Hechter, die toen voorzitter was van voetbalclub Paris Saint-Germain. Willem van Hanegem ging weg bij Feijenoord. De oliecrisis kwam, waardoor mensen minder geld uitgaven. De metro werd aangelegd. Op een gegeven moment was de loop er helemaal uit. Ik moest de winkels afstoten. En niet alleen de winkels. Ik moest ook mijn huis verkopen. De schilderijen die ik had verzameld. En ook al heeft mijn familie me ook toen weer geholpen: ik kon niet terugkomen. Ik was uit eigen beweging weggegaan. En dan nemen ze je niet weer op.”

U had een jong gezin.

„Het was een hele moeilijke tijd. Ik maakte me zorgen over mijn huwelijk en mijn kinderen, ik had immers geen zaak meer. Maar doordat mijn vrouw mij onvoorwaardelijk steunde, werd onze band juist sterker. En op een gegeven moment kreeg ik ook weer werk: iemand die van mij had gehoord en ook wel een bijzondere winkel wilde beginnen. Hij werd mijn werkgever. Dat ging een tijd goed, maar daarna kreeg ik toch weer hetzelfde gevoel als vroeger in het familiebedrijf: iemand boven mij zegt wat er moet gebeuren. Toen ben ik weer voor mezelf begonnen, nu met een groothandel en een eigen collectie. Maar echt groot ben ik daar ook niet mee geworden. Als je groot wilt worden, moet je geld hebben om te investeren. En je moet langere lijnen toestaan. Je moet toestaan dat je niet langer alles zelf in de hand hebt. Ik ben er mee opgehouden en ik ben deze winkel begonnen. Dat is nu tien jaar geleden.”

Net als Oblio vond u door omzwervingen uw ‘point in life’?

„Ik weet nu dat het mij in de eerste plaats om schoonheid gaat. Schoonheid troostte mij toen mijn vrouw een paar jaar geleden overleed. Voor mij is de schoonheid van mooie kleren als de schoonheid van kunst. Je zou kunnen zeggen dat deze winkel voor iemand van mijn afkomst en met mijn opleiding een makkelijke manier is om met kunst bezig te zijn. Al was het geen makkelijke weg.”

U kunt met pensioen?

„Nou nee. Schoonheid geef je niet op. Als de winkel straks een tijd dichtmoet vanwege de renovatie, begin ik hiernaast een tijdelijke winkel. Over een jaar hoop ik nóg een winkel te openen, aan de Nationale Straat in Antwerpen. En weet je wat nou zo raar is: het liefst zou ik willen dat één van de kinderen daarna het bedrijf overneemt. Misschien raak je het gevoel van een familiebedrijf wel nooit meer kwijt.”