Ik moest op kamp. Spelen met andere kinderen

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag: Kamp in de Kennemerduinen, 1980.

Mijn vriendin heeft iets met aandoenlijke jongens (ze vindt dat ik er een ben) en ik heb er ook iets mee omdat ik er een was (ik was er een, zeg ik dan tegen haar, nu niet meer) en ik heb onmiddellijk de neiging haar te bellen als ik buiten de bus een aandoenlijke jongen zie neuzen met zijn moeder. Maar het is kwart over acht ‘s ochtends en ik heb haar thuis laten slapen. Ik ga op kamp. Ik zit al in de bus en de kinderen nemen buiten afscheid van hun moeders en vaders.

In 1980 was ik tien en mijn ouders werkten te hard en hadden te weinig geld om op vakantie te kunnen, dus mijn zuster en ik gingen op kamp. In de Kennemerduinen stond een kamp voor Amsterdamse kinderen. ‘s Ochtends vertrokken de bussen, en laat in de middag kwamen ze weer terug.

Ik haatte het kamp.

Ik vroeg mijn vriendin of ik het woord ‘kamptrauma’ kon gebruiken.

Nee, dat kon niet, zei ze.

Ik zei dat ik op z’n minst recht had op een woord dat een beetje erg klinkt. Toen ik tien was, was ik ernstig getroebleerd, want ik was tien en de wereld begreep mij niet. En ik werd op een kamp neergezet waar ik met andere kinderen spelletjes moest doen. Kinderen die ik niet kende. Mijn zuster was twee jaar ouder en zat in een andere tent. Niet dat ik iets aan mijn zuster had gehad: de wereld begreep mijn zuster uitstekend, en dat was wederzijds.

Mijn herinneringen aan het kamp: levend stratego spelen (wat ik al niet begreep in de dode vorm), leiders die me afkatten (toen vond ik ze heel erg Grote Mensen, maar waarschijnlijk waren ze niet veel ouder dan zestien en hadden ze zoveel op hun bord dat een dik aandoenlijk joch ze alleen maar op hun zenuwen werkte), kinderen die me stom vonden, en heel veel zand.

Ergens op de derde dag had ik door dat ik niet met de spelletjes mee hoefde te doen als ik me verstopte, dus dat deed ik: me verstoppen. De rest van de week. Nu zit ik in de bus, terug naar het kamp, en ik ben te groot om mezelf te verstoppen.

De leiding heeft zich net verzameld in de kantine van de speeltuinvereniging: een paar Amsterdamse mannen van wie je meteen ziet dat ze hun hart op de juiste plek hebben zitten, en een paar jongens en meisjes van 16, 17, voor wie het nog net te vroeg was voor de grappen van de mannen. Nu stroomt de bus vol. Bij de deur staat een van de mannen en hij zet kruisjes bij de namen die hij op zijn lijst heeft staan, en hoewel dit pas de derde dag kamp is, dit jaar, kent hij alle kinderen al – hij hoeft niemand naar zijn of haar naam te vragen.

Als de bus rijdt, word ik aangesproken door Sil, die achter me zit – ik heb alleen niet meteen door dat hij met mij wil praten, want Sil spreekt me aan met ‘meester’. Sil is een jaar of vijf en hij wil vertellen over wat hij de rest van de vakantie gaat doen, als het kamp voorbij is. Maar het kamp is nog niet voorbij – de bus komt steeds dichterbij, en is dat angstzweet wat ik voel?

Op het parkeerterrein staan al vijf bussen, en we laden uit. Ik neem een grote zak reeds opgeblazen zwembandjes op m’n rug. Bij een andere bus staan meisjes van twaalf en het zijn het soort meisjes waar ik vroeger bang van was. Ze staan arrogant naar ons te kijken en ze zeggen dat hun kamp beter is en ik ben kennelijk weer tien jaar oud, want ik durf ze niet aan te kijken.

In een grote stoet lopen we naar ons kamp. Ons kamp is de knusheid zelve. Vijf kleine tenten tussen hoog opgewaaide duinen onder groene bomen. Ik kijk om me heen en ik zeg tegen een van de leiders dat het hier niet bepaald verkeerd is. Hij zegt dat ze hier het leukste kamp hebben. Al die andere kampen met hun grote tenten zijn net fabriekshallen.

Een paar leiders helpen de kleintjes met insmeren tegen de zon, de anderen zetten de spelletjes bij het water op. Ik help Rob met het neerzetten van een zonnezeil aan het meertje dat net achter het duin ligt en we maken grappen terwijl we het doen. Reinaldo, een jongen van tien met zwarte krullen, komt ons helpen. En ik zou best Reinaldo willen zijn vandaag, denk ik plotseling. Tien jaar oud zijn en meegaan met dit kamp, met deze leiders en deze kinderen – dat zou ik best wel willen.

Als de kinderen bezig zijn met de waterspelletjes, klim ik terug het duin op naar de tenten. In een van de tenten zie ik een jongen zitten. Hij is iets te dik en hij heeft een lange broek en een shirt met lange mouwen aan en hij kijkt weg als ik hem aankijk. Dat was ik, denk ik. Ik ga aan een van de picknicktafels zitten en ik schrijf wat dingen op in mijn boekje en ik kijk af en toe naar hem. Hij zit in de hoek van de tent met een stok in het zand te poeren. Hij zal gepest worden, denk ik, daarom zit-ie daar. Mijn hart breekt, zie je wel dat kamp kut is; maar er komt een jongetje over het duin, in zwembroek, en hij ziet de dikke jongen zitten, en hij gaat erbij zitten en het jongetje in zwembroek doet of het heel normaal is dat de dikke jongen daar zit, praat heel casual met hem, en gaat weer andere dingen doen.

En een paar minuten later, alsof hij doorheeft dat daar zitten saai is, komt de dikke jongen de tent uit, kijkt om zich heen, en gaat spelen met de anderen.

Godverdomme, denk ik, dat had ik toen ook moeten doen.

Kinderkamp blijkt leuk te zijn. Ik had het 27 jaar geleden gewoon leuk kunnen hebben. Waarom heeft niemand me dat toen verteld?

De dag kabbelt verder met snoep, het douanespel (‘het bananenspel?’ verstaat Rory van 9), angst voor een niet-bestaande kinderlokker in de bossen (een meisje van 7 vertelt dat ze vorig jaar een kinderlokker in z’n ballen heeft getrapt en ‘m toen mee heeft gesleept naar het kamp), ijsjes, een damwedstrijd tussen leider Patrick en Reinaldo, en de terugreis.

Kamp is leuk. Ik had mezelf gewoon niet zo aandoenlijk moeten vinden toen ik tien was.