Ik beland op schoot

Arnon Grunberg werkt als cateraar bij het Zwitserse spoor. Aflevering 5.

Frau Jiazhen Li wordt door iedereen Li genoemd en ze zegt tegen mij: „Noem mij ook maar Li, dat is wel zo makkelijk.”

Op dit traject rijdt de dubbeldekker. Het restaurant zit op de bovenste verdieping, de bistro en de keuken zijn daaronder.

De prijzen in het restaurant en de bistro zijn hetzelfde maar in het restaurant word je bediend.

Tussen restaurant en bistro gaat een kleine goederenlift. Beneden werkt een vrouw uit de Balkan.

Met Li werk ik in het restaurant. Li is een Chinees meisje van eind twintig. Ze heeft een zoontje van zeven maanden en een man die kok is in een Chinees restaurant in Zürich.

Op haar zevende is ze in Zwitserland gekomen. Ze heeft nog ouders in China, maar ook pleegouders in Zwitserland. Waarom ze alleen op haar zevende naar Zwitserland is gegaan, vraag ik liever niet.

„Neem een croissant,” zegt Li.

Om half zeven is onze dienst begonnen. Echt druk wordt het pas als we richting Bern rijden.

Een glas inschenken in een rijdende trein is geen sinecure. We gaan nogal snel door een bocht en ik beland bij een meneer op schoot.

Iets na Bern meldt de collega van beneden dat twee heren zonder te betalen de bistro hebben verlaten. Ze hebben flink wat genuttigd, onder meer een kaasplateau. Als gasten vertrekken zonder te betalen, dan moeten de werknemers van Elvetino dat in de regel zelf vergoeden.

Er wordt een klopjacht door de trein georganiseerd, waaraan ook Li en ik meedoen, maar de heren blijven onvindbaar.

„Zo werk je voor niets,” zegt Li.

Vanaf Fribourg wordt het rustiger. Li en ik gaan aan tafel 1 zitten. „Wat wil je eten?” vraagt ze.

Ik bestudeer het menu.

„Indische curry,” zeg ik.

Personeel dat werkt krijgt zestig procent korting.

Li eet een tomatensoep. „Ik ben dol op tomatensoep,” zegt ze.

Op het vliegveld van Genève hebben we in theorie een kwartiertje pauze, maar de eerste gasten komen meteen al binnen. Een Amerikaanse familie met schoondochter of schoonzoon.

Voorbij Lausanne hoort Li me met enige moeite Frans spreken.

Ze zegt tegen me: „Jij hoeft dit niet te doen. Jij kan ook conducteur worden. Dat verdient beter.”

„Ik zal erover nadenken,” beloof ik.

Li verzamelt de dopjes van colaflessen want daar kun je iets mee winnen.

Rond Bern druk ik haar stiekem een handvol dopjes in de hand.

Ze straalt.