Hele wereld stak geld in Fannie en Freddie

Fannie Mae en Freddie Mac zijn de twee grootste hypotheekfinanciers in de VS, goed voor 5.000 miljard dollar.

Overheidssteun is oplossing én oorzaak van de problemen.

Decennialang hebben achtereenvolgende ministers van Financiën en centralebankiers volgehouden dat problemen bij Amerika’s grootste hypotheekbedrijven voor rekening van de aandeelhouders zouden komen.

Decennialang geloofden die aandeelhouders daar niets van. Fannie en Freddie zijn de twee grootste hypotheekfinanciers in de VS, goed voor 5.000 miljard dollar. Ze zijn beursgenoteerd, maar ze hebben ook een overheidstaak.

De ministers en centralebankiers moeten nu toegeven dat zij, en hun voorgangers, ernaast zaten. Om de Amerikaanse huizenmarkt en daarna de wereldwijde financiële markten gerust te stellen wil de overheid nu een pakket maatregelen doorvoeren. Het doel: Freddie en Fannie voor de ondergang behoeden.

Waar het misging? Toen de vraag naar nieuwe hypotheken afnam. Omdat een deel van deze hypotheken normaal doorverkocht wordt met het doel erop te verdienen, maakten Freddie en Fannie minder winst.

De tweede klap kwam toen het aantal wanbetalers (de huiseigenaren met aflossingsproblemen) begon toe te nemen. Als Freddie en Fannie een hypotheek van banken overnemen, nemen ze ook het risico van wanbetalingen op zich. Omdat de huizenmarkt zich in een neerwaartse spiraal bevindt, zullen de verliezen alleen maar toenemen.

‘Gewone’ beursgenoteerde ondernemingen moeten in zo’n geval op zoek naar een oplossing. Extra kapitaal aantrekken, of de ambities naar beneden bijstellen. Zo niet Freddie en Fannie.

Toen het echt mis dreigde te gaan, omdat investeerders steeds minder bereid leken de schulden te herfinancieren, greep zowel de Federal Reserve als de Amerikaanse overheid in. De risico’s van niets doen waren te groot.

De relatie tussen de hypotheekbedrijven en Washington is een gecompliceerde. Fannie werd in 1938 opgericht, Freddie in 1970. De lange namen die ze bij oprichting meekregen en waarop de huidige namen gebaseerd zijn, gebruikt niemand meer. Fannie Mae en Freddie Mac hebben net als alle ondernemingen een winstoogmerk, maar genieten aanzienlijke voordelen die andere niet krijgen.

Beurstoezichthouder Securities and Exchange Commission heeft slechts beperkte zeggenschap over de twee. Ze hoeven geen belastingen te betalen op federaal niveau of aan de staten waarin ze gevestigd zijn. En hun kapitaalniveau mag lager zijn dan dat van ‘gewone’ ondernemingen.

De unieke positie heeft plezierige gevolgen voor Fannie en Freddie. Omdat zakenbanken op Wall Street er – zoals deze week terecht is gebleken – van overtuigd waren dat de overheid zou inspringen in geval van nood, konden ze lagere leentarieven rekenen. Dat kwam zowel aandeelhouders als de huizenmarkt ten goede. Lagere leenkosten betekenden simpelweg lagere hypotheektarieven.

Niet dat nooit geageerd is tegen de voordelen die de hypotheekbedrijven genoten. Neem 2004. Toen bleek uit onderzoek naar een boekhoudschandaal bij de bedrijven dat winsten hoger werden voorgesteld dan ze waren – met als doel hogere bonussen voor bestuurders. Federale onderzoekers constateerden een „arrogante en onethische bedrijfscultuur”. En het Congres wilde strengere regelgeving.Het kwam er niet van. Voornamelijk Democraten in het Congres wilden niet overkomen als de zuurpruimen die het feest van betaalbaar woningbezit voor iedereen kwamen verpesten.

Wat de twee hypotheekgiganten verder hielp, was interne gewiekstheid. Fannie en Freddie maakten het tot staand beleid machtige politici aan te trekken als bestuurders en commissarissen. Op deze manier verkregen de bedrijven toegang tot het Capitool.

Bovendien werden zowel Republikeinse als Democratische bestuurders aangetrokken. Wie het in Washington op een gegeven moment ook voor het zeggen had, Fannie en Freddie waren goed voorzien.

Voorbeelden te over. Jamie Gorelick, bijvoorbeeld, oud-onderminister van Financiën onder Clinton. Of neem Robert Zoellick, voormalig regeringslid van George W. Bush en nu hoofd van de Wereldbank.

Overigens lijken de problemen nu voor het eerst zo groot, en de voorgestelde ingrepen zo omvangrijk, dat het Congres dwarsligt. De vereiste instemming om de door minister van Financiën Hank Paulson voorgestelde ingrepen door te voeren, blijft nog uit. De kritiek op de door sommigen als ‘nationalisatie’ ervaren actie is groot.

Zakenbank Merrill Lynch refereert aan een ander Europees land om de nu geconstrueerde oplossing en het zichtbaar wordende patroon van overheidsacties te omschrijven. De zakenbank noemt Paulsons constructie het ‘Zweedse model’: de overheid grijpt direct in bij een naderende financiële crisis.

Waar dat heel praktisch bezien op neerkomt? In goede tijden profiteert de markt, beter gezegd de financiële sector, van Fannie en Freddie. In het slechtste geval moet de overheid voor ze opdraaien. In ieder geval is dat nu duidelijk.

Achtergronden en opinies over Fannie Mae en Freddie Mac op nrc.nl/kredietcrisis

China topleverancier Amerikaanse woningmarkt