God is God, en daarmee uit

Het invloedrijke commentaar van theoloog Karl Barth op de brief van apostel Paulus aan de Romeinen is nu vertaald. Het stelt de ongodsdienstigen van vandaag voor onoplosbare problemen.

Karl Barth: De brief aan de Romeinen.Vert. Mark Wildschut. Boom, 608 blz. € 65,–

De brief van de apostel Paulus aan de Romeinen heeft een grimmige reputatie. Dat heeft niet alleen te maken met het beruchte gebod zich te onderwerpen aan de bestaande overheden, die immers ‘door God zijn ingesteld’. Het heeft vooral te maken met de steile wijze waarop Paulus het christelijk geloof daarin tot een absolute zaak maakt die zich aan iedere redelijkheid onttrekt.

Alleen de directe relatie tot God telt: daarin kunnen de heidenen, die de (joodse) wet niet kennen, zelfs betere christenen zijn dan de Joden waartoe Jezus preekte, aldus Paulus. Alleen het geloof doet ertoe: niet het behoren tot een (uitverkoren) volk, niet het volgen van een humanistische ethiek of een lauwe kerkelijkheid die de oren te veel laat hangen naar het verstand van de ‘wereld’.

Het moet dan ook een bewuste provocatie zijn geweest, toen de jonge Zwitserse theoloog Karl Barth aan het eind van de Eerste Wereldoorlog uitgerekend met een boek over deze Brief aan de Romeinen een steen in de vijver van het protestantisme wierp. Te veel had de theologie zich, al meer dan een eeuw lang, laten leiden door een soort accomodatiegedachte, meende Barth. Ze had zoveel als ze kon de wetenschap omarmd en was steeds dichter gaan aanschurken tegen een humanisme dat God meer en meer was gaan zien als een metafoor voor alles wat er in het mensenleven maar edel, hooggestemd en nastrevenswaard was.

‘Religie’ noemde Barth dat, en hij moest er niets van hebben. Het christelijk geloof was gaandeweg vergeten dat het voor de wereld – nog altijd naar een woord van Paulus – nu eenmaal een schandaal vormde, en het was zich voor de aanstootgevende dwarsigheid van die boodschap een beetje gaan schamen. De ‘liberale theologie’ die sinds het begin van de 19de eeuw het geloof in overeenstemming trachtte te brengen met de geest van de tijd, wilde respectabel zijn, redelijk en aaibaar – en kon daarom juist met Paulus dus slecht uit de voeten. Bij dat alles was ze God vergeten, zo meende Barth: het onwrikbare obstakel voor elke poging om de godsdienst te laten verwateren tot een betamelijk en daardoor steeds betekenislozer onderdeeltje van de cultuur.

Barths Römerbrief vond onverwachte weerklank en in 1922 verscheen er een sterk uitgebreide tweede druk van, waarin het boek zijn definitieve vorm vond. Het is nu voor het eerst in zijn volledigheid in het Nederlands vertaald, in een schitterend bezorgde uitgave binnen de jonge reeks theologische klassieken van de uitgeverij Boom. Eerder verscheen daarin al het programmatische boek Over de religie van Friedrich Schleiermacher, ironisch genoeg juist een van de aartsvaders van de liberale theologie.

Zo staan in deze reeks nu twee boeken tegenover elkaar, die in veel opzichten exemplarisch zijn voor het lot van het christelijk geloof in de twintigste eeuw. Barth heeft immers met zijn onverzettelijke boodschap de hele eeuw door een grote invloed gehad, ook in Nederland. In zijn jonge jaren was Joop den Uyl er diep van onder de indruk en in diezelfde jaren dertig vormden Barths overtuigingen in Duitsland de drijvende kracht achter de Bekennende Kirche, die zich categorisch tegen Hitler en het nationaal-socialisme verzette.

In zoverre als de Tweede Wereldoorlog nog altijd de ultieme morele toetssteen vormt voor elke levensopvatting, verdiende het Barthiaanse denken daarmee ontegenzeglijk de adelsbrieven waarop het aanvankelijk veel aarzelender reagerende liberale protestantisme pas veel later mocht hopen. Vreemd is dat niet. Juist de openheid die dat laatste voor de wereld trachtte te tonen, maakte het ook vatbaar voor de geest van het compromis. De steile Barth moest zich wel verzetten tegen een politieke cultus die aanspraak maakte op een absoluutheid waarop alleen God zelf recht had. Met die uitleg van Paulus’ gehoorzaamheidsvermaning had hij de lezers van zijn boek al ruim tien jaar eerder op dit verzet voorbereid.

Maar daar schuilt tegelijk een addertje onder het gras. Want Barth mag de aardse tirannie dan categorisch afwijzen, hij doet dat wel door zich te schikken naar een hemelse oppermacht die minstens zo veeleisend en absoluut is. Hoewel dat ten aanzien van het nationaal-socialisme gelukkig uitpakte, blijft er sprake van een onderwerping die in laatste instantie van iedere redelijkheid afziet. Voor de moderne geest die in het voetspoor van de Verlichting zelf heeft leren denken en daaraan zijn hoogste eer verpandt, kom je met Barth hoogstens van de regen in de drup.

Het is op dat punt dat De brief aan de Romeinen ongemakkelijk begint te worden. Onbekommerd schrijft Barth over het aanstootgevende van Paulus’ brief, die hij passage voor passage, zin voor zin en soms zelfs woord voor woord becommentarieert. Hij leest die brief bijna alsof hij aan hemzelf gericht zou zijn, en niet aan een christengemeente van bijna tweeduizend jaar her. Hij maakt zich deelgenoot van de tijdloze waarheid die Paulus volgens hem heeft gezien en verwoord, en maakt het woord van de apostel tot het zijne, bijna alsof hij Paulus’ eigen buikspreker was.

Bladzijde na bladzijde hamert Barth het erin: God is God, en de mens is mens. En als ooit the twain shall meet, dan is dat niet omdat de mens de goddelijke waarheid heeft kunnen na-denken of zelf construeren. Dat alles is maar mensenwerk, zo zegt hij in een cruciale passage halverwege het boek. Het is ‘religie’, niet het koninkrijk van God. Dat laatste is niet ‘bedenkbaar’ en nog minder beredeneerbaar. Want ‘het geloof is een wonder, anders is het geen geloof.’

Aan dat alles zou een kritische, moderne lezer schouderophalend voorbij kunnen gaan, als Barth het niet zo ongeëvenaard krachtig had opgeschreven. Want De brief aan de Romeinen is een literair meesterwerk waarin een apodictische verkondiging de taal heeft gevonden van een onverzettelijk woord. Alleen al daarom lijkt Barth op Nietzsche, die in zijn geschriften zo’n veertig jaar eerder hetzelfde had gedaan als hij, maar dan theologisch in de omgekeerde richting.

‘God is dood, en wij zijn zijn moordenaars,’ had Nietzsche in De vrolijke wetenschap geschreven. Dat was schokkend in zijn tijd, maar inmiddels mompelen wij het gedachteloos na. Het schandaal van Nietzsche is onze vanzelfsprekendheid geworden, soms zozeer dat de onverkwikkelijkheid van zíjn ideeën ons nauwelijks meer opvalt.

Bij Barth is het omgekeerd. Zijn God, die ooit vanzelfsprekend was, is onze steen des aanstoots – en Barth doet geen enkele moeite om dat te verzachten. Stilletjesaan zijn we collectief niet alleen door de Verlichting heengegaan, maar ook door de liberale theologie die het geloof eerst hapklaar maakte en vervolgens soepel liet oplossen in een moderne geest die het gaandeweg vergat.

Ook mij is dat wel zo lief – en voor zover ik het geloof van vorige generaties (of van diegenen die het ook nu nog koesteren) kan begrijpen zonder het te delen, doe ik dat nu juist op basis van een redelijk begrip. Als ik probeer uiteen te zetten hoe een gelovige geloven kan, dan is dat altijd op basis van een reconstructie die het verstand als leidraad en het atheïsme als diepste overtuiging heeft.

Maar dan ligt daar plotseling op mijn bureau De brief aan de Romeinen die zegt dat dat niet kán. Of beter: dat het daarbij dan om de ‘religie’ gaat, die met echt geloof niets heeft te maken. En of ik wil of niet: ik moet bekennen dat ik daar geen antwoord op heb.

Maar net zo min als aan Nietzsche ga je aan Barth schouderophalend voorbij. Wat moet ik dus aan met dit theologische meesterwerk dat in alles ingaat tegen mijn moderne, atheïstische redelijkheid, maar vanuit zijn ongeëvenaard literaire kracht een antwoord eist? Iets is er kennelijk in de werkelijkheid dat ik met geen mogelijkheid begrijpen kan, maar ook niet kan negeren: en dat is niet God – maar het feit dat een boek als De brief aan de Romeinen ooit geschreven heeft kunnen worden. Zelfs mijn overtuiging dat de door Barth zo geminachte ‘religie’ erin schromelijk wordt miskend en onderschat, redt mij niet uit die impasse.

Onder mijn ogen ligt een even fascinerend als schrikwekkend boek: de eigenschappen die door de godsdienstgeleerde Rudolf Otto aan ‘het heilige’ zelf werden toegekend, bijna op hetzelfde ogenblik als waarop Barth aan zijn boek werkte. En ik kan er geen kant mee op. Ten diepste en uit volle overtuiging ongodsdienstig, weet ik niet goed of ik dit schandalige boek liever nooit gelezen, dan wel nooit gemist had willen hebben.