Gebruik niet de ‘rechtsvisie’ van nazi’s

Schort het geldende recht niet op en vermijd een speciale moraal voor oorlogskunst. Die rechteloosheid is een recept voor nieuw onrecht, stelt Wouter Veraart.

De huidige wilde claimpraktijk rond oorlogskunst profiteert van het kabinetsbesluit van begin 2006 om 202 schilderijen uit de voormalige Goudstikkercollectie, op zuiver morele gronden en buiten elk juridisch kader om, aan de erven terug te geven (NRC Handelsblad, 4 juli).

Daarmee gaf de overheid zelf het slechte voorbeeld hoe om te gaan met aanspraken die verband houden met groot onrecht dat ruim zestig jaar oud is.

Inmiddels fungeert dit besluit als een precedent in een particuliere claimcultuur waarin aan chantage grenzende morele druk de plaats van het recht heeft ingenomen. Maar in de complexe wereld van de oorlogsclaims bestaat er helemaal geen recht buiten het recht, en onrecht met iets beantwoorden dat de naam recht niet waardig is, is een recept voor nieuw onrecht.

Hoe heeft het zover kunnen komen? De ooit toepasselijke herstelwetgeving is al geruime tijd verjaard, zoals het gerechtshof in Den Haag in 1999 aan de erven-Goudstikker duidelijk maakte.

Niet lang daarna heeft de regering met de instelling van de Restitutiecommissie (2002) een alternatieve route geopend om claims te behandelen, mits het ging om kunstwerken die op dat moment nog in bezit waren van de Nederlandse staat.

Uitgangspunt van de Restitutiecommissie is om niet formeel-juridisch naar een claim te kijken en ook geen acht te slaan op verjaring, maar om zich bij de beoordeling van een claim te laten leiden door morele en beleidsmatige overwegingen. De regering heeft bij de instelling van de Restitutiecommissie benadrukt dat het rechtsherstel van na de oorlog niet mocht worden „overgedaan”.

Dat betekende dat rechtsgeldige schikkingen of rechterlijke uitspraken van na de oorlog niet opzij mochten worden gezet, tenzij er sprake zou zijn van een „novum”, een nieuw feit. Al snel bleek echter dat de Restitutiecommissie het begrip novum bijzonder ruim interpreteerde. Onder een novum verstond zij ook „gewijzigde morele inzichten” ten aanzien van het naoorlogse restitutiebeleid.

Die verruiming stelde de commissie in staat naoorlogse rechterlijke uitspraken of schikkingen aan te passen of zelfs te negeren, als instandhouding „naar huidige moreel inzicht” niet zou kunnen worden aanvaard.

Onduidelijk is of de regering dit controversiële onderdeel ooit expliciet heeft gesteund. Dat regering en Restitutiecommissie op dit punt niet op één lijn hebben gezeten blijkt uit het gesteggel over de afwikkeling van de Goudstikker-claim. Toen weigerde de regering de argumentatie van de commissie over te nemen die moest aantonen dat restitutie van de 202 schilderijen wenselijk was. De Restitutiecommissie baseerde haar advies op een nieuwe, en mijns inziens discutabele, interpretatie van de schikking uit 1952 waarin de weduwe Goudstikker tegenover de Nederlandse staat vrijwillig van de rechten op de schilderijen afstand had gedaan en ging voorbij aan de uitspraak van het Haagse gerechtshof uit 1999.

Binnen de regering rees met name bij toenmalig minister Donner (Justitie, CDA) verzet tegen het feit dat de commissie bestaande rechtspraak opzij had gezet, maar de regering wilde, mogelijk om internationaal gezichtsverlies te voorkomen, toch tot restitutie overeenkomstig het advies van de Restitutiecommissie overgaan.

Gevolg was dat toenmalig staatssecretaris Medy van der Laan (D66) op 6 februari 2006 aan de Tweede Kamer zou schrijven: „Anders dan de Restitutiecommissie ben ik van mening dat er in het onderhavige geval sprake is van afgehandeld rechtsherstel. Het Gerechtshof heeft in 1999 als rechtsherstelrechter definitief in de zaak beslist. Daarom valt de zaak op deze grond buiten de kaders van het geldende restitutiebeleid.”

Niettemin achtte de staatssecretaris „in dit bijzondere geval gronden aanwezig [...] tot teruggave over te gaan,” zonder in te gaan op details. In de media verklaarde zij dat de beslissing om toch terug te geven op morele gronden was gebaseerd.

Nog afgezien van de summiere en onduidelijke motivering is de beslissing van de regering om de Goudstikker-schilderijen terug te geven op morele gronden één van de vreemdste beslissingen die een Nederlandse regering in recente jaren heeft genomen.

Het geldende restitutiebeleid was immers al een bijzonder ruim en gemoraliseerd beleid. Terecht typeerde Frank Kuitenbrouwer de beslissing in deze krant als „een juridische spagaat”. Maar dat is nog te zwak uitgedrukt. Juist omdat de zaak-Goudstikker vanwege zijn omvang beeldbepalend is voor de wijze waarop de Nederlandse staat met oorlogskunst omgaat, werd met deze beslissing een gevaarlijk precedent geschapen.

Wat dit besluit immers lijkt uit te drukken is dat oorlogsclaims een onbegrensde werking en betekenis bezitten; dat er geen einde komt aan hun gelding; dat het gedane recht opzij gezet kan worden door gewijzigde morele inzichten en dat, als deze inzichten tekort schieten, er ook nog ruimte is voor een uitzonderingsbeleid dat overal los van staat en gebaseerd wordt op een moraal, die niet nader gespecificeerd wordt.

De denkfout die door regering en nu ook door claimanten zoals de erven-Goudstikker wordt gemaakt is dat er voor oorlogskunst een soort supermoraal zou gelden, die het zonder recht of vaste beleidskaders kan stellen en die restitutie, los van de feiten of de juridische voorgeschiedenis of de positie van huidige eigenaren, per definitie legitimeert.

Niets is echter minder waar. Het is juist rechteloosheid die baat heeft bij rechtsvrije ruimten, iets wat uitgerekend de nazi’s, met hun verkrachting van wet en regel en hun onwrikbaar geloof in eigen tirannieke inzichten, keer op keer hebben laten zien.

Zulk onrecht valt niet te herstellen door op zoek te gaan naar nieuwe rechtsvrije ruimten, maar alleen door te blijven zoeken naar juridisch en beleidsmatig aanvaardbare, integere procedures die liefst democratisch verankerd zijn en tot het wezen van een rechtsstaat horen.

Daarbij zullen we oog moeten houden voor de historische dimensies van bepaalde zaken en voor de positie van derden, en onze huidige morele inzichten niet zomaar in de plaats stellen van recht dat zijn loop heeft gehad. “De wetgever is geen tovenaarsleerling”, zei de onlangs overleden oud-voorzitter van de Restitutiecommissie, de heer B.J. Asscher.

In diezelfde geest liet hij zich in 2007 over de zaak-Goudstikker ontvallen: „Eigenlijk hoop ik dat de invloed van deze zaak heel beperkt is op al het andere werk dat de commissie doet en dat, in het verlengde daarvan, de nieuwe minister (Plasterk) de zaak-Goudstikker uit zijn geheugen zou willen wissen.” Die laatste bede is, naar ik aanneem, niet door de minister verhoord.

Wouter Veraart is universitair hoofddocent rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam