Dollen op een schildpadrug

De Schijfwereld begon Monty Pythonachtig, maar 35 delen verder tovert Terry Pratchett, schepper van dit fantasy-universum, allengs duisterder spiegelbeelden te voorschijn.

Terry Pratchett: Wintersmid. Een verhaal van de schijfwereld. Vertaling Venugopalan Ittekot. Mynx, 350 blz. €18,95

Terry Pratchett: Making Money. A Discworld Novel. Transworld Publishers/Random House, 479 blz., €10,–

‘Zoek het verhaal. De wereld zit vol verhaalpatronen. Als je het toelaat krijgen die je in hun macht. Maar als je ze bestudeert, als je erachter komt hoe ze werken… kan je ze gebruiken, kan je ze veranderen’.

Zo luidt het advies van ‘Opoe Wedersmeer’ – een van de invloedrijkste heksen uit Terry Pratchetts jubilerende fantasy-boekenserie Schijfwereld – aan haar leerling Tiffanie Verweerd. Zij is hoofdpersoon in Pratchetts recent verschenen 35ste ‘Discworldnovel’ Wintersmid, een poëtisch seizoenssprookje over, én persiflage op sprookjes.

Opoe Wedersmeers advies is niets meer en minder dan het motto van Pratchetts schrijverschap: De grondgedachte van waaruit zijn Schijfwereld in 1983 is ontstaan.

Pratchett zocht. En Pratchett vond: sprookjes, folklore en scheppingsverhalen. Draken, tovenaars, heksen, trollen en: Chukwa. De laatste is, volgens een hindoeïstische mythe, een oude schildpad met op zijn schild de olifant Maha-Pudma, die de wereld torst. Daarna zocht Prachett verder en ontdekte de Amerikaanse fantasy/horrorauteur H.P Lovecraft (1890-1936) en zijn latere collega Fritz Leiber (1910-1992), die een ‘vormend’ voorbeeld voor het zogenaamde ‘sword & sorcery’ genre is geweest (lees: veel vechten & veel toverij).

Daarna aanschouwde Pratchett de mensheid. En alle verschillende verhaalpatronen begonnen in zijn hoofd door elkaar te lopen. Het begon te borrelen en te gisten. Totdat er een soort ‘oerknal’ plaats had, en toen was de Schijfwereld een feit:

‘In een ver verwijderd en tweedehands dimensiestelsel, op een astraal niveau dat nimmer van de grond had mogen komen, daar wijken de krinkelende sterrennevels weifelend uiteen… Zie…/ De Grote Schildpad A’Tuin komt eraan; traag zwemt hij door de gapende interstellaire leegte met waterstofberijpte en loodzware poten, zijn oeroude reuzeschild getekend door meteoorkraters. Met ogen als oceanen, omkorst door gedroogd slijm en planetoïdenstof, staart Hij gestadig naar de Bestemming./ In een brein dat groter is dan een stad en met geologische traagheid denkt Hij louter aan het Gewicht. […] Afkomstig van de vier reuzenolifanten die op hun rug en stergebruinde schouders de wielschijf van de Wereld torsen’.

Dit allereerste begin van de Schijfwereld klinkt als anarchistische kolder, als de wereld en zijn ontstaansgeschiedenis op Monty Python-achtige wijze op zijn kop gezet. En meer dan dat is De kleur van toverij (1983) ook niet: ‘A reaction to how fantasy fiction had become silly’, volgens Pratchett zelf, een eenduidige, typisch Britse parodie op alle fantasyclichés, een licht absurde slapstick. De hoofdrol is voor de mislukte tovenaar Rinzwind – want nooit afgestudeerd aan de toverhogeschool ‘Unseen University’ van Schijfwerelds grootste stad Ankh-Meurbork – die reisgids van Tweebloesem wordt. Tweebloesem is een verzekeringsagent en de eerste Schijfwereldse toerist, die volgens Rinzwind synoniem aan ‘idioot’ is.

Wanneer Ankh-Meurbork door een brand wordt overvallen – de kroegbaas had net een brandverzekering bij Tweebloesem afgesloten waardoor zijn etablissement logischerwijs direct vlam vatte – ontvluchten Rinzwind en Tweebloesem de stad en beleven avontuur na avontuur, spinnen, boomnimfen, demonen, onzichtbare trollen en draken van hun eigen verbeelding trotserend.

In de Schijfwereld-boeken die na 1983 volgden (gemiddeld twee per jaar) is de satire nooit meer verdwenen, al evolueerde de Schijfwereld aanzienlijk. Zo zeer zelfs dat Pratchett zelf een ‘Old Discworld’ en ‘New Discworld’ onderscheidt, met Betoverkind (1988) als scheidslijn daartussen.

Die ‘nieuwe Schijfwereld’ is behalve een parodie ook een complexe, op zichzelf staande imaginaire wereld. Een ‘wereld en spiegel van werelden’ met veelal terugkerende, innemende, menselijke hoofdpersonen, die in ieder verhaal scherp en hilarisch commentaar geven op de situatie waarin ze zich bevinden (én op elkaar) en daarmee inzicht in hun eigen bestaan verkrijgen.

Meer karakterontwikkeling leidt vanzelfsprekend tot minder slapstick, tot meer reflectie, diepgang en zwarte humor. Toppunt van meesterlijke zwartgalligheid is misschien wel De Nachtwacht (2002), waarin Wachtkapitein (politiecommissaris) Douwe Flinx tijdens een achtervolging door het dak van de toverhogeschool tuimelt, dertig jaar terug in de tijd belandt en zijn eigen geschiedenis herbeleeft in het lichaam van zijn leermeester Piet Klein – en zo dus zijn eigen mentor wordt.

Flinx ontdekt, ondanks zijn voorkennis, dat de geschiedenis niet te veranderen is en zichzelf dus zal blijven herhalen. Intens is zijn verlangen naar zijn eigen toekomst. Maar eerst vindt een revolutie plaats, geleid door de Wacht zelf.

Flinx is weinig hoopvol: ‘Morgen komt de zon weer op’, luidt zijn commentaar, ‘en ik ben vrijwel zeker dat we dan […] nog geen Vrijheid gevonden hebben, en veel Recht zal er ook niet wezen en ik ben vrijwel verdomd zeker dat we dan nog geen Waarheid hebben gevonden’. Want ‘het ligt er niet aan dat je een verkeerd soort regering hebt, wat wel duidelijk is, maar dat je het verkeerd soort mensen hebt. Zodra je mensen bekijkt als dingen die je kan meten, blijken ze onder de maat’.

Zo sarcastisch, maatschappijkritisch en uitzichtloos als De Nachtwacht is, zijn Pratchetts nieuwste boeken – Wintersmid en Making Money (2007) – niet. Oorzaak hiervan is dat de terugkerende hoofdpersonen in zijn diverse Schijfwereld-reeksen (de Rinzwindromans, Heksenromans, Stadswachtromans, en romans met De Dood als hoofdpersoon) geen gemeenschappelijke ideologie hebben. Dit geeft Pratchett de mogelijkheid in elk boek verschillende morele waarden te (ver)stoppen en telkens een andere toon te hanteren, wat knap bijdraagt aan de geloofwaardigheid van zijn Schijfwereld.

In de ogen van Feucht von Lippwacht bijvoorbeeld, hoofdpersoon in Making Money, is Flinx vooral toch ‘Kapitein der Wacht’, de tegenpartij, bij wie je maar beter vandaan kunt blijven. Begrijpelijk, want Von Lippwacht is een oplichter – ‘an honest soul with a fine criminal mind’ –, die dankzij een herkansing van Ank-Meurborghs bestuurder de Posterijen leidt en in Making Money gevraagd wordt bank en munt te reorganiseren.

Het grotestadsleven bezien vanuit Von Lippwachts perspectief, ervaar je logischerwijs anders dan wanneer je vanuit Flinx’ ogen kijkt. Von Lippwacht, gestoken in gouden pak, denkt groots, heeft een propagandistisch talent, manipuleert het financieel-economische leven naar hartelust én introduceert papieren geld. ‘Goud is alleen waardevol omdat we dat hebben afgesproken, niet? Het is slechts een droom’, vindt Von Lippwacht. ‘De stad is de tovenaar. De alchemist in omgekeerde volgorde. Het verandert waardeloos goud in … alles’.

De onwerkelijke wereld van het bankwezen als thema in een fantasy-roman: Is dat nog wel fantasy? Pratchett, veelgelezen en door critici en publiek veelgeprezen, doorziet ons aardse bestaan als geen ander en houdt ons een spiegel voor. Op de vragen die deze absurde, hilarische spiegelbeelden oproepen geeft hij, gelukkig, geen eenduidige antwoorden. Het enige inzicht dat hij meegeeft is dat het leven van een ieder wordt bepaald door de (morele) keuzes die hij maakt.

Von Lippwacht weet dat. En ondanks zijn hunkering naar verandering kiest hij ervoor – gegeven zijn situatie – ‘zoveel mogelijk geld te verdienen en vervolgens in leven te blijven om het uit te geven’.

Tiffanie (13), de eerdergenoemde leerling-heks uit Wintersmid die ‘het verhaal van ijs en vuur, van zomer en winter is binnen gedanst’ en niet weet hoe de seizoensorde te herstellen, moet nog leren dat ze ‘alles zelf moet opknappen’. Dat ze haar leven lang eigen keuzes moet maken. En dat (oude) verhalen daarbij kunnen helpen, omdat ‘ze een eigen leven leiden en graag herhaald willen worden’.

Hervertellen is wat Pratchett doet in Wintersmid, op een unieke, subtiele en humorvolle manier. Zijn grondstof daarbij is ‘vertellium’: ‘De grondstof van verhalen, die je uitsluitend kan waarnemen door goed te kijken naar de manier waarop anderen zich gedragen’.

Maar grondstoffen raken echter uitgeput. Hoeveel Schijfwereld-verhalen volgen nog, nu bij Pratchett de ziekte van Alzheimer is geconstateerd?

Niet dat Alzheimer de Schijfwereld als zodanig bedreigt. Die leidt – na 25 jaar – een eigen leven, dat geleidelijk aan menselijker en donkerder is geworden. In die duisternis ligt Pratchetts onnavolgbare, subversieve humor verscholen, zijn middel om de wereld en het menselijke falen te becommentariëren. Er valt meer te ontdekken op die merkwaardige, fascinerende ‘Discworld’. Dus zoek het verhaal. De (Schijf)wereld zit vol verhaalpatronen. Als je erachter komt hoe ze werken, kan je ze gebruiken.

Vanwege het 25-jarig bestaan van De Schijfwereld van Terry Pratchett heeft de Nederlandse uitgeverij van zijn werk, Mynx, de eerste vijftien delen opnieuw uitgebracht in een herziene uitvoering.