De nieuwe weg van jonge renners

De jonge renners van de Raboploeg die niet in de Tour de France rijden zijn op hoogtestage in de Pyreneeën. Zij zeggen die manier te verkiezen boven dopegebruik.

„Wat een klootzak”, zegt trainer Louis Delahaye nadat hij heeft gehoord dat Riccardo Ricco positief is bevonden op epo. „Die heeft toch het risico genomen. Daar baal ik van. Maar ze hebben hem wel gepakt. Dat is een duidelijk signaal. Je kunt geen risico’s meer nemen.”

Delahaye is met vijftien jonge renners van de Rabowielerploeg drie weken op hoogtestage in Font -Romeu. „Dit is onze manier om beter te worden. Dan hoef je geen epo te nemen. Hier moet Robert Gesink de basis leggen voor de Olympische Spelen en de Ronde van Spanje. En Lars Boom voor de NK tijdrijden en het veldritseizoen. Van dergelijke nieuwe trainingsimpulsen moeten we het hebben. Ik ben er van overtuigd dat zoiets op termijn rendeert.”

Binnen, in de ‘bunker’ van het Lycée Climatique et Sportif Pierre de Coubertin, reageren de jonge renners geërgerd op de derde dopingaffaire in de Tour. „Stom van die Ricco”, zegt meervoudig wereldkampioen Lars Boom. „Jongens als Ricco vinden schijnbaar geen voldoening in hard trainen om op die manier alles uit je lichaam te halen. Ik doe het op een andere manier.”

Leeftijdgenoot Robert Gesink, dit seizoen uitblinker in Parijs-Nice en Dauphiné Libéré, is al even uitgesproken. „Die Ricco is een raar mannetje, daar is het hele peloton het over eens. Altijd een grote waffel, sneuer dan sneu. Stom, maar het past wel een beetje bij zijn imago. Dit is slecht voor de wielersport, maar goed voor jonge renners als ik. Ik weet voor mezelf hoe ík het doe. Ik ben hier dik twee weken op een afgelegen plek in de Pyreneeën om te trainen en verbeter me op zo’n manier.”

Trainer Delahaye, voormalig triatloncoach, komt al jaren in het op 1.850 meter hoogte gelegen trainingscomplex, dat veertig jaar geleden in opdracht van de Franse overheid werd gebouwd in aanloop naar de Olympische Spelen van Mexico. Delahaye: „Je hebt hier alles: wielerbaan, atletiekbaan, krachthonk, zwembad, de mooiste trainingsroutes en een goede begeleiding. Er heerst hier een bijzondere topsportsfeer, omdat er ook volop toppers uit andere takken van sport verblijven: atleten, schaatsers, triatleten en zwemmers. Zie hoe hard de jongens trainen. Dat verruimt hun blik. Het past goed in de cultuuromslag die in het wielrennen gaande is.”

Voor Delahaye is deze aanpak het antwoord op het cynisme dat de wielersport na elk incident opnieuw bedreigt. „Ik denk dat wij er hard aan werken om iets te veranderen. Deze jongens zijn sowieso niet grootgebracht binnen een dopingcultuur. Het is cynisch te twijfelen over concurrenten, het idee te hebben dat je verliest van iemand van wie je denkt dat hij ‘iets’ doet. Maar je weet het niet, hè. Ja, van Ricco weet je het nu. En van Dueñas. Robert Gesink werd ooit tweede achter hem in de Tour de l’Avenir. Wat zou Dueñas daar hebben gedaan? Daar gaat het om, die gedachte wil je eruit.”

Het beste antwoord is volgens de Limburger nog altijd plezier. „Het is mijn allereerste taak om dat er op welke manier ook in te houden. En ondertussen laat ik ze natuurlijk schofterig hard trainen.”

Enthousiast verhaalt hij hoe Boom gisteren aan tafel voorstelde om een dam te gaan bouwen in een riviertje, of hoe er voor de rompstabilisatietraining eerst tien minuten met skippyballen wordt geschoten. „Dan zie je dat het nog jonge honden zijn. Dat moet je altijd een beetje zien te blijven.”

Luxe ontbreekt in Font Romeu, op de piepkleine kamertjes is geen eigen toilet en televisie. „Dus gaan ze ’s avonds lekker bij elkaar zitten om te kaarten of wat te praten”, zegt Delahaye. „Zo leren ze elkaar beter kennen. Een betere teambuilding dan dit is er niet. En ook dat zal steeds belangrijker worden in het wielrennen, dat je het met elkaar moet doen.”

De Tour de France, een paar honderd kilometer verderop, volgen de renners in een apart televisiezaaltje. „Maar ik kijk niet elke dag”, zegt Boom. „Ik lig liever te rusten op bed dan dat ik op die houten stoeltjes ga zitten.”

Gesink geeft toe dat het soms kriebelt als hij het Tourpeloton ziet. „Maar met die ellende van nu denk ik dat het een minder leuke Tour wordt. Misschien moet ik wel blij zijn dat ik er nog niet bij ben. Het is ook altijd de opzet geweest om niet te rijden, we kiezen voor een rustige opbouw. Volgend jaar dan maar.”

Volgens Delehaye kan Nederlands succes in de Tour geen jaren meer op zich laten wachten. „Ik denk dat we een hele sterke generatie hebben. Met Thomas Dekker, Robert Gesink, Lars Boom, Bauke Mollema. Maar ook met Rick Flens, Tom Leezer, Sebastian Langeveld. Als de ontwikkeling zo doorgaat, komen zij echt wel bovendrijven. Dit zijn jongens die niet hoeven te vertrouwen op medische begeleiding. Ze hebben talent en werken hard. Dat moet voldoende zijn.”