De loopvis wordt bedankt!

Wij zijn nog steeds de vissen die miljoenen jaren geleden het land op kropen. Vooral Dawkins’ topinleiding over de stamboom van het leven bewijst dat. Maar waarom ging men rechtop lopen?

Neil Shubin: De vis in ons. Een reis door 3,5 miljard jaar geschiedenis van het menselijk lichaam. (Your Inner Fish. A Journey into the 3.5 Billion-Year History of the Human Body. Vert. Mark van Nieuwstadt). Nieuw Amsterdam, 256 blz. €19,95

Richard Dawkins: Het verhaal van onze voorouders. Een pelgrimstocht naar de oorsprong van het leven. (The Ancestor’s tale. A Pilgrimage to the Dawn of Life. Vert. Mark van Nieuwstadt). Nieuw Amsterdam, 784 blz. €34,95

Heel veel problemen van het menselijk lichaam zijn de schuld van de evolutie. Miljarden jaren van organische ontwikkeling zijn uitgemond in een ‘Kroon der Schepping’ die daardoor opgezadeld zit met aambeien, hernia’s, de hik, mannelijke buikvliesbreuken en waardeloze geurgenen. Aldus een korte samenvatting van het prettige evolutionaire anatomieboekje Our inner fish, van de Amerikaanse paleontoloog Neil Shubin. Zie hier de mens, in zijn woorden: ‘Neem het lichaamsplan van een vis, kleed het aan om het tot zoogdier te maken, en ga dan knijpen en draaien totdat het zoogdier loopt op twee benen, praat, denkt en heel fijne beheersing heeft over zijn vingers – en je hebt een recept voor problemen.’

Shubin heeft een brede blik. Voor hem begint de geschiedenis van het menselijk lichaam al ruim 375 miljoen jaar geleden, als de eerste vis het land opkruipt. En eigenlijk nóg langer geleden, maar Shubin heeft die eerste loopvis, waaraan de evolutie is gaan duwen en trekken, zélf een paar jaar geleden opgegraven. Dat 375 miljoen jaar oude wonderfossiel Tiktaalik is de eerste vis met een platte amfibiekop en beenderen die lijken op onze boven- en onderarmen. Een belangrijke stap voorwaarts.

Shubins speurtocht die leidde tot de Tiktaalik-vondst niet ver van de Poolcirkel vormt een fraaie introductie in fossielenkunde en is terecht de aftrap van zijn boek. Want allemaal stammen wij af van die eerste vissen die het land opgingen. En dus hebben we bijvoorbeeld nog altijd de hik, een erfenisje van die vroege amfibieën, zo legt Shubin uit. Die gebruikten precies dat hiksysteem om hun longen af te sluiten als ze via hun kieuwen ademden, zoals ook kikkervisjes nog steeds doen. Dat oude systeem zit nog ergens in onze hersenstam, met alle gevolgen van dien.

Oude onderdelen alom: de zachte inhoud van onze wervelschijven is vrijwel identiek aan de inhoud van de rugbuis (notochord) van een zeer primitief gewerveld diertje (Amphioxus), niet meer dan een worm. Als bij ons een wervelschijf kapot gaat, komt er dus zijn vloeistof uit. ‘Thanks a lot, Amphioxus’ is Shubins cynische commentaar. Maar de natuur bouwt nu eenmaal voort op het bestaande. Bij alle veranderingen in die honderden miljoenen jaren, blijven ook veel onderdelen gewoon bestaan. Alsof de Ford Focus nog altijd op het oude T-Fordchassis wordt gebouwd.

Een fijn boek is het dus, maar er zijn ook wel nadelen. Zeker, Shubin geeft vlot en veel interessante informatie (al gaat hij wel erg lang door over lichaamsplan-genen die ook al bijna niet veranderden). Maar vooral de grote zekerheid van deze sluwe anatoom, die in zijn lab alle oude parallellen haarfijn kan aanwijzen, gaat een beetje vervelen. Is dan echt alles al opgelost in evolutieland, denkt de lezer vol eerbied. Want alle botjes liggen hier keurig op een rijtje.

Welnee natuurlijk, en als de Grote Vraag naar het hoe en vooral het waarom op tafel ligt, moet ernaast onmiddellijk het al wat oudere meesterwerk van Richard Dawkins, Het verhaal van onze voorouders, worden gelegd. Shubin stelt eigenlijk alleen de wat-vraag, Door Dawkins worden wel alle ins en outs van het evolutiedenken behandeld en dat even concreet en vrolijk als in het anatomielab van Shubin. En ook hier is de vertaling erg goed (beide door bioloog Mark van Nieuwstadt).

De opzet van Dawkins boek is vrij origineel. De Britse bioloog, ooit beroemd geworden met zijn theorie van het Selfish Gene, daalt hoofdstuk na hoofdstuk steeds verder af in de stamboom van de mens en bij iedere nieuwe voorouder worden relevante evolutionaire kwesties behandeld. Eerst de uitgestorven directe voorouders van de mens, dan mensapen, dan de gewone apen, en zo voort: knaagdieren, nijlpaarden, buideldieren, reptielen, amfibieën, insecten, tot aan de sponzen, amoeben, planten, bacteriën – en overal weten Dawkins en zijn onderzoeksassistent Yan Wong inzichten, verhalen en vaak ook onopgeloste problemen op te dissen.

Dawkins boek is een topinleiding in de evolutie van het leven. En wie het ene hoofdstuk een beetje te technisch vindt, stapt gewoon over naar het volgende. Maar dan mis je vaak wel wat. In bijvoorbeeld de uitstekende maar nogal complexe uitleg over de mithrochondriale Eva (de hypothetische oermoeder van alle mensen) komt aan de orde dat er voor ieder gen een apart verwantschapsschema is te maken. Met verrassende gevolgen. Omdat bijvoorbeeld de menselijke bloedgroepen ook bij andere mensapen voorkomen, is een mens met bloedgroep A voor dat éne gen dus nauwer verwant aan een chimpansee met bloedgroep A dan aan een mens met bloedgroep B. Een vreemd idee.

Andere verhalen zijn bekender. Bij Australopithecus, een directe voorouder van de mens, gaat het bijvoorbeeld om de vraag waarom wij rechtop zijn gaan lopen. Een keur van rechtoplooptheorieën komt bij Dawkins aan de orde. Dat de oermens rechtop ging lopen om zijn penis beter te kunnen tonen, bijvoorbeeld. Dawkins is hiervan niet overtuigd. Of dat het om de vrije handen te doen was, om voedsel over grote afstanden mee te nemen. Of dat de oermens rechtoplopend minder zonnehitte ving op de hete savanne. Maar waarom gaan andere dieren dan niet óók rechtop lopen? Een echt antwoord is er niet, al ziet Dawkins veel in de theorie dat ons rechtop staan is begonnen met het hurken van een mensaap, uit het gehurkt voedsel zoeken op de bosgrond, zoals bavianen doen op de savanne. Maar het kan ook nog gewoon seksuele selectie zijn geweest, besluit Dawkins. Rechtoplopen dus als de pauwenstaart van de mens: niet superhandig, maar wel geil.

Bij de sprinkhaan behandelt Dawkins nogal verrassend de evolutionaire theorieën over soorten en rassen, waarbij hij zelfs een foto van de Afro-Amerikaan Colin Powell met de Afrikaan Daniel arap Moi toont: allebei zwart, maar wat een verschil. Dit onderwerp is toepasselijk, want er bestaan twee aparte sprinkhaansoorten die zo op elkaar lijken dat zelfs specialisten ze niet uit elkaar kunnen houden. Alleen de paringsroep is verschillend, en daarom paren de soorten nooit met elkaar en blijven het dus aparte soorten. En zo gaan we steeds verder terug in het prentenboek van de evolutie.

Een normale chronologische behandeling, van de amoebe aan het begin en de mens aan het eind, zou de indruk wekken dat de mens de kroon op de schepping is en dat is een vloek in de evolutiewetenschap. Want de mensensoort hangt maar aan een van de vele takken in de enorme boom des levens. Al die andere organismen die nu op aarde leven, hebben een even lange stamboom als wij.

In Dawkins’ lange weg terug door de tijd voegen zich geleidelijk alle van die steeds verder verwijderde verwanten. En aan het eind van het dikke boek, vier miljard jaar geleden, wordt natuurlijk het (helaas nog altijd onopgeloste) probleem van het ontstaan van het leven behandeld. Dawkins noemt dat liever het ontstaan van de erfelijkheid, want dat is de kern van het leven. Waarschijnlijk begon dat niet met DNA, dat in feite alleen erfelijke informatie kan overdragen, maar met het eenvoudigere RNA, dat diverse cruciale eigenschappen in zich verenigt. RNA kan erfelijk informatie bewaren maar ook functioneren als een enzym dat organische processen versnelt. En Dawkins denkt ook dat het ergens diep in de aarde ontstond, dat eerste leven. Maar alle bewijs daarvoor is allang uitgewist.

In een epiloog geeft Dawkins nog een fraaie uitsmijter over eenmaligheid en herhaling in de evolutie. Het oog is in de dierenwereld wel 30 tot 60 keer onafhankelijk ontstaan, en echolocatie ook wel vier keer: bij vleermuizen, tandwalvissen, gierzwaluwen en vetvogels (die leven in donkere grotten in Zuid-Amerika, maar naar buiten komen om fruit te eten). De gifangel wordt minstens tien keer opnieuw ‘uitgevonden’. Er zijn dus wel degelijk patronen in de evolutie.

Maar alleen de bombardeerkever mengt chemicaliën om explosies te maken. En alleen de schuttersvis schiet met water, en alleen de larve van de mierenleeuw gooit met zand. Alleen de waterspin heeft een duikersklok. En alleen de mens heeft een grammaticale taal. Wie is eigenlijk het meest unieke product van de evolutie?

Dawkins is al sinds de jaren zeventig een spraakmakend bioloog, maar inmiddels ontleent hij zijn grootste roem aan een intellectuele en morele aanval op religie, in het boek The God Delusion uit 2006. Dat geeft niet, maar wel jammer is dat Dawkins’ nieuwe atheïstenfaam dit kort voor The God Delusion in het Engels verschenen evolutieboek lijkt te overschaduwen. Ten onrechte.

Een interview met Neil Shubin is te lezen via nrcboeken.nl