Weeffout ontslaat importbruid van ‘toelatingsexamen’

Natuurlijk wilde de overheid aankomend immigranten het inburgeringsexamen opleggen. Maar dan moet je dat ook duidelijk in de wet schrijven, vindt de rechter.

Een „kennelijke misslag” van het ministerie van Justitie, noemde de rechtbank Amsterdam het: in de lijst met eisen waaraan een ‘importbruid(egom)’ moet voldoen om een verblijfsvergunning te krijgen, ontbreekt slagen voor het inburgeringsexamen.

Het ontbreken van dat examen in het Vreemdelingenbesluit is van essentieel belang. Want de wetstekst is zo geformuleerd dat de overheid een verblijfsvergunning móét afgeven als aan alle voorwaarden van de lijst is voldaan. Dus kan de overheid van immigranten die voor gezinshereniging naar Nederland komen, niet ook nog eens eisen dat ze het examen met succes hebben afgelegd.

De ontdekking van deze mogelijke weeffout in het vreemdelingenbeleid staat waarschijnlijk op naam van Karin de Vries en Sarah van Walsum, werkzaam aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Van Walsum werd op het spoor gebracht toen ze een tentamen van een student nakeek, die met de lijst eisen in de hand had geconcludeerd dat een inburgeringsexamen niet nodig was voor een verblijfsvergunning.

In oktober vorig jaar beschreef De Vries de „omissie” in een juristenblad. Daarin trok ze dezelfde conclusie als de rechtbank nu.

Het instellen van zo’n examen in het buitenland was een controversiële maatregel van voormalig minister Verdonk van Vreemdelingenzaken, bedoeld om te voorkomen dat jonge (vooral Turkse en Marokkaanse) vrouwen naar Nederland zouden komen zonder kennis van taal en land. Dat de toets, en de kosten van 350 euro, ook een drempel zouden opwerpen voor deze groep immigranten, werd in Den Haag niet als onwelkom bijverschijnsel gezien. Critici waarschuwden dat het examen discriminerend is: migranten uit bijvoorbeeld de Europese Unie, de Verenigde Staten, Australië en Japan hoeven geen test af te leggen.

Maar voor een Kamermeerderheid, toen en nu, is de noodzaak van de regel onomstreden. Direct na de uitspraak van de rechter riep de Tweede Kamer in meerderheid om reparatie van de wetgeving.

Was het ontbreken op de lijst eisen een fout of een bewuste keuze? Als het een fout is, is het een opmerkelijke. De lijst eisen is niet een onbelangrijk deel van de wetgeving, maar vormt de basis van alle besluiten over verblijfsvergunningen voor gezinshereniging. „Het samenstel van Vreemdelingenwet, Vreemdelingenbesluit en Vreemdelingencirculaire is een nogal ingewikkeld geheel, maar dit had de wetgever moeten zien”, zegt De Vries. Zeker nadat zij ambtenaren bij het ministerie van VROM, tegenwoordig verantwoordelijk voor inburgering, ervoor waarschuwde (zie inzet).

De advocaat die de Staat verdedigde in de rechtszaak in Amsterdam liet dat in het midden. Volgens hem kon de plicht van het examen in het buitenland ook aan andere regels worden ontleend. Zo moet iedere immigrant een zogenoemde machtiging voorlopig verblijf (mvv) aanvragen voordat hij naar Nederland kan afreizen, waar hij na een nieuwe beoordeling door de immigratiedienst zijn vergunning kan krijgen.

In de regels staat dat een mvv geweigerd wordt als het inburgeringsexamen niet is gehaald. En zonder mvv kan je geen verblijfsvergunning krijgen. Zo is de cirkel volgens de landsadvocaat rond: je mag een mvv weigeren als het examen niet met succes is afgelegd, en je moet de verblijfsvergunning weigeren als er geen mvv is.

Die vlieger ging bij de rechtbank niet op. Want de regel is dat je een mvv op dezelfde gronden moet beoordelen als de verblijfsvergunning. De eisen voor de verblijfsvergunning zijn dus leidend, en daar staat de eis dat het inburgeringsexamen gehaal moet zijn nou eenmaal niet in.

Met een ander argument van de landsadvocaat was de rechtbank het wel eens – dat het toch duidelijk de bedoeling van de wetgever was geweest om die exameneis op te leggen. Maar dan moet die bedoeling wel duidelijk in de wet staan, en dat is niet het geval, concludeerden de rechters.

De rechtbank vroeg zich wel af of ze de overheid geen handje kon helpen. Volgens jurisprudentie van de Raad van State mag de rechter bij een „kennelijke misslag van de wetgever” de bedoeling van die wetgever boven de letterlijke tekst van de wet laten gaan.

Dan moet echter wel helder zijn waaróm in het Vreemdelingenbesluit niets staat over het inburgeringsexamen, vond de rechtbank. Was het gewoon een fout, of een bewuste keus met onbedoelde gevolgen? Zolang dat niet duidelijk is, kan een rechtbank niet zomaar zijn eigen interpretatie geven, vonden de rechters.

Het ministerie van Justitie zegt de uitspraak te bestuderen.

Commentaar: pagina 7