Staat zakt met toets

De Vreemdelingenkamer van de Amsterdamse rechtbank heeft voorlopig een streep gehaald door het basisexamen inburgering dat sinds 2005 verplicht is voor buitenlanders die in Nederland willen komen wonen. Als het aan een royale meerderheid in de Tweede Kamer ligt, wordt het woord ‘voorlopig’ met hoofdletter geschreven. De Kamerleden zijn gehecht aan de inburgeringstoets die de buitenlanders in eigen land moeten afleggen en waarbij de kennis van de Nederlandse taal en samenleving wordt getest.

Principieel is de uitspraak van de rechtbank niet; er is sprake van een omissie in de wetgeving, „een kennelijke misslag” noemt de rechtbank dat. Een vreemdeling die zich voor langer dan drie maanden in Nederland wil vestigen, moet een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aanvragen, waaraan diverse voorwaarden zijn verbonden. Blijkens de uitspraak van de rechtbank heeft de wetgever verzuimd de voorwaarde van een met succes afgelegd inburgeringsexamen in de wet op te nemen. Een kwestie van exegese; het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat als verweerder partij was in deze zaak, meende dat uit de wetsgeschiedenis en uit toelichting op de wet de bedoeling is af te leiden dat de staat het examen wel degelijk als voorwaarde voor een voorlopige verblijfsvergunning kan stellen.

Het kabinet heeft nu twee mogelijkheden die het beide kan benutten: bij de Raad van State in beroep gaan tegen de uitspraak van de rechtbank en gaan werken aan een wetswijziging die de inburgeringstoets klip en klaar als voorwaarde formuleert. Gelet op reacties van Kamerleden van CDA, PvdA, VVD en PVV is parlementaire steun hiervoor ruimschoots aanwezig. Dat is niet verrassend, want in de laatste vergadering voor het zomerreces heeft de Tweede Kamer in grote meerderheid een motie van het CDA aangenomen, waarin het kabinet wordt verzocht om te onderzoeken of ook aan burgers van de Europese Unie die zich blijvend in Nederland willen vestigen inburgeringseisen kunnen worden gesteld. Van deze eisen zijn tot nu toe inwoners van 36 landen vrijgesteld.

Het lijdt geen twijfel dat inburgering wezenlijk is voor buitenlanders die in Nederland wonen en dat er aan hen eisen kunnen worden gesteld. Maar de uitspraak van de Amsterdamse rechtbank roept opnieuw twijfel op over de juridische kwaliteit van de inburgeringswetgeving. Die was er al toen toenmalig minister Verdonk zich bij haar voorstellen niet te veel wilde laten hinderen door juridische hindernissen. Daarbij gaat het om meer dan om ‘misslagen’. De mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch heeft het onlangs „discriminerend” genoemd dat Nederland buitenlanders uit niet-OESO-landen tot een inburgeringsexamen verplicht. De Raad van Europa heeft in een resolutie gezegd dat taaleisen geen obstakel voor de uitoefening van het recht op gezinsleven mogen vormen. Het is te hopen dat Nederlandse politici, in hun gretigheid om een stevig immigratiebeleid te voeren, zich niet doof houden voor deze geluiden.