Pensioenfondsen lijden in beurscrisis

De grote Nederlandse pensioenfondsen krijgen door beleggingsverliezen aanzienlijke problemen om de pensioenen van werknemers en gepensioneerden volledig te verhogen met inflatie of loonstijgingen.

Dat blijkt uit de rendementscijfers in het eerste half jaar die pensioenfonds ABP, Pensioenfonds Zorg en Welzijn, en Pensioenfonds Metaal en Techniek vanochtend bekendmaakten.

ABP, het grootste pensioenfonds, met meer dan een miljoen werkende leraren en ambtenaren, zei vanochtend dat het de pensioenen niet volledig zal verhogen met de loonstijging als zijn financiële positie op het huidige lage niveau blijft. „Onze grootste zorgen zijn de stagnerende economie en de stijgende inflatie”, zegt bestuursvoorzitter Elco Brinkman.

De pensioenfondsen beslissen in oktober of november aan de hand van hun dan actuele financiële positie over de verhoging van de pensioenen, de zogeheten indexatie. Sommige fondsen volgen de prijsstijging, maar veel grote fondsen volgen de loonontwikkeling in de bedrijfstak waarvoor zij werken. Tijdens de vorige financiële crisis (2001-2003) hebben de pensioenfondsen garanties over indexaties en automatische verhogingen afgeschaft.

De pijn voor de pensioenfondsen zat hem vooral in het eerste kwartaal, toen zij grote verliezen op hun aandelenbeleggingen leden. In het tweede kwartaal boekten zij per saldo nipte beleggingswinsten. Hoge beleggingsrendementen tot wel 44 procent op grondstoffen (dankzij olie) boden in de eerste zes maanden nog wat soelaas. In juli overheersen opnieuw de koersdalingen.

De financiële positie van de drie fondsen is wel beter dan het minimum dat toezichthouder De Nederlandsche Bank voorschrijft. De vuistregel is dat de verhouding tussen de waarde van de beleggingen en die van de pensioenverplichtingen minimaal 125 procent is. Bij ABP was deze verhouding eind juni 132 procent, bij het Pensioenfonds Metaal en Techniek 135 procent en bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, dat vroeger PGGM heette, 143 procent.