Op de achterbank. Mijn broer telde de winegums

Twee auteurs keren terug naar de Nederlandse vakantiebestemmingen uit hun jeugd.

Vandaag: Sporthuis Centrum in Kootwijk, 1978.

Als het aan mijn moeder lag nam ze ook de eettafel mee, inclusief placemats, serviesringen en servies. Maar aangezien de tafel écht niet in ons Golfje paste, beperkte ze zich tot alles wat kleiner was. Mijn vader was een dag bezig alle bagage zo economisch mogelijk over de auto te verdelen.

Als we vertrokken hadden mijn broer Bart en ik ieder onze knieën in onze nek. Onze voetruimte werd ingenomen door lakens en kussenslopen in vuilwerend plastic, met daaronder de wandelschoenen voor het hele gezin. We zaten op dekens en op kleren die niet kreukelden. Dat was opletten bij de hobbels, want dan kwam je hoofd tegen het dak.

Maar daadwerkelijk ruimtebeperkend was de enorme weekendtas die tussen ons in stond.

„Handig om je boeken op te leggen”, suggereerde mijn moeder. Wat zij niet zag was dat mijn broer, die een tel eerder in de auto zat, de tas slinks in mijn richting had geschoven. Ik zorgde er natuurlijk voor dat ik het onding terug bigde, maar hij had al een scherpe elleboog in stelling gebracht en beweerde met een begin van boosheid dat de tas écht niet verder zijn kant op kon.

We reden weg. Naar Kootwijk! Sporthuis Centrum De Berkenhorst. Aftandse bungalows met uitgezakte banken en aan de muur ieder jaar dezelfde pastelpaarse rozen in de ene kamer en in de andere naar abstractie neigende vazen. Mijn voorkeur ging uit naar de rozen.

De weekendtas bleek inderdaad nuttig. Hij deed dienst als steun voor de zak winegums die mijn broer van de buurvrouw had gekregen. Hoe hij een hele zak snoep door mijn ouders goedgekeurd had gekregen ontging me, maar ik stemde gretig in met hun voorwaarde: „alleen als je het eerlijk met je zus deelt”.

Nu hebben winegums niet alleen verschillende kleuren, ze hebben ook verschillende vormen. En we wisten allebei dat de langwerpig bubbelige vorm het meest begeerlijk was. De lekkerste kleur was paars, dus de allerlekkerste was lang en bubbelig paars. Er werd geen zak gekocht zonder zorgvuldige controle of er wel zo’n exemplaar in zat. Maar deze zak was gekregen, dus was het hopen dat de buurvrouw gelukkig gekozen had.

Dat had ze. Er zat er één in.

„Eenenveertig”, zei Bart tevreden, nadat hij de inhoud van de zak op zijn Asterix en Obelix strip had geleegd. Na een korte stilte voegde hij eraan toe: „Uitzonderlijk veel geel.”

Ik kon alleen maar met een waterig mondje knikken.

Bart legde eerst kleur bij kleur, daarna werd binnen de kleur de vorm geselecteerd. Alles wat gelijk was werd meteen verdeeld en zo vulden zich mijn handen met plakkerige snoepjes.

Er waren zeven groene winegums, dat waren de vieste.

„Hier”, zei mijn broer gul, en gaf me er vier.

Ik accepteerde. Zelfs vieze winegums waren winegums.

„Dan mag ik die!”, zei mijn broer en greep de paars langwerpige bobbelige.

„Nee!”

De weekendtas prikte in mijn been.

„Wat is er jongens?” Mijn moeder draaide zich half om. Als ze zich helemaal omdraaide was het mis.

„Hij geeft mij de vieste en neemt zelf de lekkerste”, huilde ik, altijd bereid mijn broer erbij te lappen.

„Ik heb verdeeld”, zei Bart, alsof dat alles verklaarde.

Laatst heb ik nagerekend hoever het eigenlijk was, de reis van Leiden naar Kootwijk. Een dik uur. Ongelooflijk. In mijn herinnering duurde het een volle dag en soms langer.

Het park ziet er bij oppervlakkige beschouwing onveranderd treurig uit. Er is nog steeds een tropisch zwembad, er is nog steeds de Spar, de enige winkel van heel Kootwijk. Ook het vuile wit van de bungalowmuren slaat je bij binnenkomst nog steeds in het gezicht.

Maar het heet geen Sporthuis Centrum meer. Het hoort nu bij de Landal-keten en de meeste bungalows zijn bij nadere beschouwing in grootte verdubbeld. Iets achteraf staat zelfs een aantal splinternieuwe huisachtige exemplaren bij een meertje dat ik me ook niet herinner.

Het is zondag dus de Spar is dicht. Jammer, ik was dol op die winkel. We kochten er precies hetzelfde eten als thuis, maar alles in een andere verpakking. Dus smaakte het beter. Vooral de ijsjes, ik was nogal suikergericht in die tijd.

Ter ere van mijn nostalgische bezoek heb ik van tevoren een zak winegums gekocht, met wel zes paarse erin, maar sinds ik weet dat ze voor de gelatine slachtvlees gebruiken, smaken die toch een stuk minder.

Na enig zoeken vind ik een bungalowtje dat eruit ziet als een bungalow oude stijl. Ik staar een tijdje naar binnen. Op de vloer liggen tegels, ik herinner me linoleum.

Het mooiste van dit huisjesdorp was de achterkant van het terrein dat grensde aan het Kootwijkse Zand. Een enorme zandvlakte met heuvels en sparren vol lange wortels die soms bloot kwamen te liggen door de wind. Onder een van die halfnaakte heuvels hadden Bart en ik een geheime hut gebouwd. Daar renden we bij aankomst meteen naartoe. Ik had er het jaar ervoor mijn mooiste poëzieplaatjes begraven, want volgens Bart was het altijd goed iets te offeren. Hij had zelf een zeldzame munt uit zijn munten verzameling gedoneerd.

„Anders graaf je het volgend jaar weer op”, had hij troostend gezegd.

Bart was het eerste bij de hut. „Hij is er nog!”, juichte hij. Want je wist het nooit bij een zandverstuiving. Onze lievelingsheuvel waar je zo goed vanaf kon rollen was in twee jaar tijd in hoogte gehalveerd. Weggestoven. Voor de ingang hadden we een gevonden stuk zeildoek gelegd, met daaroverheen dode takken als camouflage.

Bart had de takken al weggehaald en trok het doek weg op het moment dat ik me gretig naar voren boog. Een zwerm vliegen vloog mijn gezicht in. „Iew!” Ik sprong naar achter.

„Wapperen!”, riep Bart en we wapperden net zo lang tot de ingang enigszins begaanbaar was.

Toen stak ik opnieuw mijn hoofd naar binnen en constateerde dat een deel van de zandmuur was ingezakt en onze hut had gehalveerd. Mijn offer was diep in de aarde verdwenen. Misschien wel nooit meer vindbaar.

Ik deelde dit treurige nieuws met Bart, maar hij haalde stoer zijn schouders op.

„Over honderd jaar graven archeologen je plaatjes en mijn munt op en dat is dan een zeldzame vondst, want poëzieplaatjes en munten bestaan dan niet meer. Voortaan moeten we bij onze offers op een briefje uitleggen wat het is.”

„Moet ik dan nog meer plaatjes begraven?” Ik had net nieuwe van oma gekregen, nog uit haar tijd, die wilde ik niet kwijt.

„Nee”, Bart lachte geruststellend. „Dit jaar offer ik wel in mijn eentje.”

„Wat dan?”

Plechtig haalde hij de bijna lege snoepzak uit zijn broekzak. Onderin ontwaarde ik drie groene winegums.