De weg kwijt

Goeie hemel, er is een Japanner verdwaald in het dorp. ’t Is net zo’n zeldzaam gezicht als een nar op het kerkhof. Hij heeft de weg omhoog naar het Grote Hotel gemist en is terechtgekomen op de hoofdstraat. Bij de pestzuil staat hij verdwaasd rond te kijken, net als ik er aan kom. Ik ben een van de uitstervende bezigheden aan het beoefenen, het posten van een brief.

De brievenbus is verplaatst naar het kerkpleintje. Tot vorig jaar hing er een prehistorische gietijzeren bus tegen de muur van São’s café, maar die is door een souvenirjager gestolen. Een half jaar moest het dorp het zonder brievenbus stellen. Pas toen merkte ik dat er om de paar weken toch nog iets als een brief bestond.

Een rare gewaarwording als je bij het oversteken naar een brievenbus wordt nagestaard door een Japanner.

Twintig jaar geleden heeft het hier één dag gesneeuwd. Het was voor iedereen onder de tachtig een spectaculaire ansichtkaart, de rijpe sinaasappels in de besneeuwde bomen. De volgende dag viel er niets meer van te bekennen. Maar er waren foto’s die het wonder konden bewijzen. In de dichtstbijzijnde gemeente staat in de etalage van de slager nog altijd, op een voetstuk, een ingelijste foto van die dag.

Zo zal bij een bakker in Lapland aan de wand een foto hangen van tropisch Hawaï, met strooien jurken, palmen en een brandende zon. Hier zorgen besneeuwde daken voor de exotische toets. Een wit landschap.

En nu dus die Japanner.

Ik ga hem redden. Mijn reddersinstinct verlaat me geen moment, zelfs niet op weg naar de brievenbus. Wie met vijanden wil eindigen, moet met redden beginnen.

Wonder boven wonder, mijn Japanner spreekt Engels.

„Waar is het hotel?”, vraagt hij afgemeten en hij maakt snel achtereen drie buigingen.

„Terug en de eerste straat rechts”, antwoord ik en ik maak ook snel achtereen drie buigingen. Het ijs is gebroken. We raken aan de praat.

„Kunt u mij ook zeggen waar hier de bezienswaardigheden zijn?” informeert hij. Hij spreekt zijn zinnen lettergreep voor lettergreep uit.

„Nee”, zeg ik. „Er zijn hier geen bezienswaardigheden.”

Het klinkt onheus, maar ik antwoord geheel naar waarheid. Nu ja – sinds kort beschikken we over een tegeltableau waarop alle bezienswaardigheden van het dorp staan afgebeeld. Maar het tegeltableau zelf is de grootste bezienswaardigheid.

Ik kan hem dat niet aandoen.

„Geen bezienswaardigheden?”

„Geen enkele bezienswaardigheid.”

De Japanner trekt een gezicht of dit het zotste is wat hij ooit heeft moeten aanhoren. Of er dan – vermaak is? Ik neem aan dat hij uitgaansgelegenheden bedoelt. Casino’s en pretparken.

Ik doe of ik even diep moet nadenken.

„Nee, geen enkel vermaak.”

Ik kan hem evenmin het bordeel aandoen in het pand van de socialistische wethouder, onder de rookloze rook van de dichtstbijzijnde gemeente. Ook bordelen hebben recht op mijn reddersgave.

We herhalen het ritueel van onze wederzijdse flitsbuiging.

Een, twee, drie.

De Japanner druipt af naar het Grote Hotel, na eerst nog een foto te hebben gemaakt van de pestzuil en eentje van de brievenbus.

Ik geloof dat ik er weer een vijand bij heb.

Gerrit Komrij