De verloren slag om de rijksbijdrage

De regering heeft nu al geïnvesteerd in de kandidatuur voor de Spelen van 2028. Een wetsvoorstel voor staatssteun aan de Spelen van 1928 haalde het een eeuw geleden niet.

Het Comité 1928, bestaande uit vooraanstaande sportofficials, had becijferd dat een bedrag van rond de twee miljoen gulden toereikend moest zijn om de Olympische Spelen te organiseren. De gemeente Amsterdam was bereid 400.000 gulden bij te dragen, enkele grote banken en maatschappijen zouden 500.000 gulden garanderen, waar tegenover de inkomsten uit entreegelden zouden komen te staan, en van de provincie Noord-Holland mocht 100.000 gulden worden verwacht. Het tweede miljoen zou moeten komen uit een landelijke loterij, zoals Zweden dat had gedaan voor de Spelen van 1912 in Stockholm. Daarvoor werd toestemming aan de regering gevraagd. Deze bestond uit een coalitie van de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP), de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU).

De minister van Financiën, H. Colijn (ARP) wilde echter ‘op principiële gronden’ geen toestemming geven voor een loterij – een wat curieus argument voor een rijksoverheid die jaarlijks 6,5 ton in de wacht sleepte via de Staatsloterij. Maar tot genoegen van de olympische bestuurders berichtte hij eind 1924 dat de regering bereid was een wetsvoorstel in te dienen om het Comité 1928 voor vier jaar een subsidie te verlenen van 250.000 gulden per jaar.

Als oud-militair had Colijn geen bezwaar tegen lichamelijke oefening en bovendien zag hij de subsidie niet werkelijk als een uitgave, omdat voor hem vaststond dat door de grote economische bedrijvigheid rond de Spelen en de vele bezoekers ‘een gelijk of groter bedrag weer zou terugvloeien in ’s lands kas’. Wat hij had onderschat was dat zijn achterban in de ARP, bolwerk van de gereformeerden, het ook om heel andere zaken ging dan het miljoen: de Spelen waren een ‘heidens’ gedoe, de dag des Heeren zou worden ontheiligd en met die vreemdelingen over de vloer zou de zedeloosheid toenemen. In de lange discussie die zou volgen, liet Colijn niet meer van zich horen.

Het wetsvoorstel zou in de Tweede Kamer worden verdedigd door de CHU-minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, dr. J.Th. de Visser, onder wie de sport ressorteerde. Maar ook in zijn partij, waarin de hervormden zich hadden verenigd, rommelde het over deze kwestie.

De Nederlander, lijfblad van de CHU’ers, was tegen subsidieverlening ‘aan een onderneming van feestelijken aard in dagen, dat steun van allerlei dringende volksbelangen botweg geweigerd of beduidend bekort werd’, kortom ‘tegen zoo groot offer in zoo kwaden tijd’. Ook hier grote zorg over de verstoring van de zondagsrust en bezwaren tegen ‘het overdrijven van het sportleven’.

In katholieke kringen was men verdeeld. Het dagblad De Maasbode steunde het subsidievoorstel: ‘Ieder beseft welk een figuur Nederland zou maken, indien, ten gevolge het afstemmen der subsidie, de Olympiade hier niet zou kunnen doorgaan’. De Tijd voelde er heel weinig voor en meende dat de bezuinigingen op de gebieden van onderwijs, wetenschap en woningbouw niet rechtvaardigden dat voor de Olympiade een miljoen werd uitgegeven.

De niet-confessionele dagbladen NRC, het Algemeen Handelsblad en De Telegraaf spraken zich uit voor de subsidieverlening, evenals het socialistische Het Volk. Het communistische blad De Tribune zag er weer helemaal niets in.

In zijn memorie van antwoord probeerde minister De Visser bezwaren weg te nemen. Zo werd de subsidie veranderd in een waarborgsom en met bloedend hart was het Comité 1928 akkoord gegaan met de voorwaarde dat op zondag geen olympische wedstrijden zouden worden gehouden.

In protestantse kringen leek de wind nu enigszins te keren en op 5 en 6 mei 1925 debatteerde de Tweede Kamer over het miljoen. De zetelverdeling was daar als volgt: RKSP 32 zetels, ARP 16, CHU 11, Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) 20, Liberale Staatspartij De Vrijheidsbond 10, Vrijzinnig-Democratische Bond 5, Plattelanders Bond 2, Communistische Partij 2, Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) 1, Welvaartspartij 1. De coalitie had met 59 van de 100 zetels dus een ruime meerderheid.

Van een kentering in de zaak bleek tijdens het kamerdebat heel weinig. Van begin af aan kwam minister De Visser, en met hem de regering, onder hevig vuur te liggen van de confessionele fracties die er geen boodschap aan hadden dat hun ministers goedkeuring aan het miljoen hadden gegeven.

Enkele citaten uit het debat:

Scheurer (ARP) : „De Olympische Spelen dragen in oorsprong en wezen een heidensch karakter en zijn om deze herkomst reeds in zichzelf veroordeeld (…) De ordonnantiën Gods voor het leven moeten plaats maken voor spel en genotzucht, waardoor een volk in innerlijke geesteskracht achteruitgaat. (...) Wie niet onverschillig is omtrent de hooge geestesroeping, die de vrouw in het maatschappelijk leven moet innemen, kan niet anders dan met bezorgdheid gadeslaan, hoe de vrouw, door de sportmanie aangegrepen, haar gevoel van kieschheid en eerbaarheid gaat verliezen. Dat wat haar siert dreigt te verdwijnen.” Hij maakte zich in dit verband zorgen over „de korte rokken, de dunne kleding en het bobbed hair”.

Of dat van ARP-zijde nog niet genoeg was, nam ook Scheurers partijgenoot professor Hugo Visscher de Spelen en de sport op de korrel, wijzend op de Schrift, de zendbrief van Paulus in 1 Timotheus 4:8: „De lichamelijke oefening is tot weinig nut.”

In de afkeer van sport en Spelen spande dominee Kersten van de SGP de kroon. Een buitenbeentje in de politiek, maar een man voor wie de rechterflank van de ARP enige sympathie koesterde. Later dat jaar slaagde hij er in het kabinet te laten vallen over de kwestie van de financiering van het gezantschap bij het Vaticaan, in ‘de nacht van Kersten’. „De Olympische Spelen zijn in oorsprong en wezen heidensch. In niet één Gereformeerd bestuurd land zijn ze ooit gehouden. God en zijn Woord worden veracht en de massa grijpt naar de vermaken der oude Grieken. Ik beklaag de geestelijk arme, geestelijk doode massa, die niet anders kent dan wat in dergelijk feestvermaak openbaar wordt.”

Ook wilde Kersten van de minister weten in welke mate ‘de heiliging van Gods dag’ gewaarborgd was. „Men verwacht dat een klein millioen menschen, uit geheel de wereld, naar Amsterdam zullen trekken. Zullen al die menschen van zooverlei geest des Zondags zijn op te sluiten in hun hotels?”

Bij de CHU en bij de katholieken was duidelijk sprake van verdeeldheid en namens de socialisten vroeg Kleerekoper zich af waarom de regering toch geen toestemming had gegeven voor een loterij. In dat geval was staatssteun helemaal niet nodig geweest. „Loterijen zijn in Nederland toch niet verboden? Er zijn tientallen loterijen goedgekeurd voor allerlei doeleinden, die menigeen in deze Kamer heilig zijn, maar die menig ander in de Kamer koud laten.”

Minister De Visser moest proberen te redden wat te redden viel. Maar eerst kaartte hij een zaak aan die hem zeer hoog zat, namelijk dat het wetsontwerp volgens de heren Visscher en Kersten in flagrante strijd zou zijn met Gods Woord. Als oud-predikant kon hij dat niet over zijn kant laten gaan. Met de woorden „de lichamelijke oefening is tot weinig nut” bedoelde Paulus volgens de minister lichamelijke tuchtiging, zoals vasten en waken, juist geen sportieve bezigheden. Niemand minder dan Calvijn had daarop gewezen. Dat had de hoogleraar in de godgeleerdheid toch wel mogen weten. Maar Visscher wierp weer tegen dat hij zich beriep op de uitleg van ene Chrysostomos. De minister was niet onder de indruk en veegde alle bezwaren van Visscher en Kersten van tafel: „Principieel uit Christelijk oogpunt kan de Olympiade niet worden veroordeeld.”

Het zou niet baten. Het wetsvoorstel werd verworpen met 48-36 stemmen. Tegen stemden op twee na alle leden van de RKSP, de gehele ARP, vijf leden van de CHU, de SGP, de Communistische Partij („Bij de Spelen is geen enkel arbeidersbelang betrokken, het is een modern-kapitalistische vertooning”) en de Plattelanders Bond. Voorstemmers: de Vrijheidsbond, de Vrijzinnig-Democraten, de SDAP, vier CHU’ers en twee leden van de RKSP.

Het besluit veroorzaakte vooral bij de niet-confessionele kranten ongenoegen. De Nieuwe Rotterdamsche Courant vond dat Nederland een „allerafschuwelijkste figuur tegenover het buitenland maakt” en dat „de macht der door een gevreesd fanaticus als den staatkundig-gereformeerden ds. Kersten opgezweepte anti-revolutionairen zich wel ten zeerste doet gevoelen”. Het Algemeen Handelsblad betitelde de ARP’ers als „politiek georganiseerde half-analfabeten” en schreef: „Het zal niet gemakkelijk vallen het buitenland van de beslissing van heden te overtuigen dat het Nederlandsche volk in zijn geestelijke meerderheid wordt beledigd, indien men het peil beziet waarop de bestrijding van het wetsontwerp zich heeft gesteld. Wij hebben iets ongedaan te maken. Wij zullen een zeer boozen indruk moeten wegwisschen.”

Dit is deel één van een tweedelige voorpublicatie van het boek Een model voor de toekomst, van Ruud Paauw en Jaap Visser.