Bloeiende pluksla

Mijn Zuid-Afrikaanse neefje was nog een kleuter toen hij me in de tuin op de nieuwe zijscheut van een ficus wees, waaraan nieuwe, minuscule blaadjes groeiden. Hij was er niet bij weg te slaan en zuchtte vertederd: „That’s só sweet.”

Planten kunnen een emotioneel appèl op je doen. Dit voorjaar kreeg ik een jonge ginkgo cadeau, die ik, toen het me behaaglijk genoeg voor hem leek, in de tuin plantte. De minuscule groene puntjes die eraan kwamen,vertrouwde ik eerst niet, je weet hoe dat gaat met bomen en struiken, ze vertonen een heel klein beetje hoopgevend groen en daarna hoor je nooit meer wat. Maar ze kwamen, de onmiskenbare, miniatuur ginkgo blaadjes. Een jonge moeder had niet trotser kunnen zijn op de nageltjes van haar baby.

Gedurende de hevige droogte in juni heb ik hem begoten, al vonden sommige mensen dat mal, bomen geef je geen water. Maar de vlieren achter in de tuin lieten op den duur ook alles hangen en gingen grijs en dorstig staan kwijnen en het zelf ingezaaide wilde bloemenperkje lachte mij elke dag in allerlei kleuren toe als ik er water op sproeide – water geven kan een heel dankbaar werk zijn.

Ik bedoel maar: voor planten en bomen kun je wel degelijk een gevoel ontwikkelen. Een warm gevoel zelfs. Als je ze dagelijks ziet, zie je heel goed dat ze leven. De gemengde pluksla die ik gisteravond nog afknipte omdat-ie nu zo graag wil doorschieten (en omdat ik zelf wel wat van die peperige blaadjes wilde opeten) had vanmorgen al weer snel een paar brutale bloemetjes geproduceerd. Ze leven lekker flink dóór, slaplanten,dat is ook zo sympathiek. En bekende bomen maken dat je je ergens thuis voelt, wordt er één omgehakt, dan ben je zelf ook even vervreemd – „Wie hem mist voelt zich met hem verhuisd”, schreef een dichter over een verdwenen iep.

Dan introduceer ik nu het begrip ‘soortisme’ in deze gedachtegang. Ik lees Koetsier herfst van Charlotte Mutsaers, waarin een uiterst fanatieke vegetarische een hoofdrol speelt, die op agressieve wijze het vegetarisme propageert, onder meer door alle dieren voor ‘onschuldig’ te verklaren en alle mensen voor ‘schuldig van nature’ – dat had het christendom blijkbaar helemaal zo slecht niet gezien. Een dier doden is erger dan een mens doden, en alle vleeseters zijn moordenaars, zulke dingen verkondigt ze steeds, kauwend op haar vegaburgers.

Ik knip die sla gewoon af, dus dat is mijn probleem niet, en als een boom om moet, een plant weg, dan is dat maar zo. Net zo met dieren – al gaat de dood van sommige van hen je geweldig aan het hart. Maar toch geldt ook daar: netjes behandelen en bestieren zoals nodig is. Bij mensen niet. En nu hoor ik steeds in gedachten die activiste gillen: „Gelijke monniken, gelijke kappen!” „Ik zie geen gelijke monniken”, brul ik in gedachten terug. „En jij blijkbaar ook niet!” schreeuw ik er nog achteraan.

Waarom laat ik dat mens niet gewoon lekker een personage zijn in een boek, waarom moet ik zo nodig met haar discussiëren? Ze houdt niet eens van discussiëren, ze houdt van zeggen hoe het is en daarmee uit.

Buiten wiegelen de klaprozen die zich tussen de stoeptegels van het terras hebben gevestigd en daar, in tegenstelling tot al die andere planten die dat ook probeerden, wél mochten blijven staan. Gelijkheid, giechelen ze. Hihihi.